donderdag 1 augustus 2019

Piet Kuijten (1925? - 2009); enkele herinneringen.


"ik zit me bij deez' mezenkast
verschrik'lijk te vervelen;
ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen".


Deze regels, vrij naar Godfried Bomans, heeft Piet vele malen voor me opgezegd als we samen terug-dachten aan 'Hulshorst'. Daar op de Veluwe plachten biologen uit Groningen en Leiden in het zomerhalfjaar te kamperen voor hun veldwerk. In de jaren 1953, '54 en '55 trof ik Piet er voor 't eerst. Jee, wat waren we toen nog jong: hij nog geen dertig, ik nog geen twintig.

De Groningers kwamen al in het voorjaar. Ze bestudeerden broedende koolmezen en hun prooidieren: vooral rupsen van verschillende soorten. Het bemonsteren van die rupsenpopulaties in dennebomen was tamelijk ruig werk. Piet kon later nog met bewondering vermelden hoe Piet Glas, als hij van de ene boom naar de andere moest, direct van de ene kruin in de andere sprong. Het waren potige jongens. Piet's tengerder lijf stak daarbij nogal af; zijn bescheiden, bijna verlegen temperament ook.

Zijn taak in het Groninger lab bestond uit het determineren van allerhande insecten die in de onderzoeken een rol speelden. Het verdroot hem nog altijd dat "die biologen" dachten dat je dat zó even deed. Zelf was hij sinds zijn vroege jeugd vertrouwd met het ambacht van verzamelen, prepareren en op naam brengen. Het engelengeduld dat je er bij nodig hebt, was hem aangeboren. Na zijn pensionering zag ik hem vaak bezig met de collectie bladsprietkevers van museum Naturalis. Met een lampje, een binoculair en naast zich een dik boek concentreerde hij al zijn aandacht op zo'n klein beestje op een speld. "Moeilijke gevallen" placht hij een tijdje op te sparen, en als hij die dan ging bewerken, was hij makkelijk een dagdeel in de weer met één exemplaar. Soms zag ik dat bewonderend aan, maar nooit lang, want het stoorde hem als er iemand keek.


Piet Kuijten
(foto Rinny Kooi)
Maar goed, we waren in Hulshorst. Daar moest hij dus de rupsen en allerlei "kleines Ungeziffer" determineren die door de mezen aan hun jongen gevoerd werden. Hoeveel prooien van welke soorten werden door de mezen gevangen, en hoeveel waren er eigenlijk in het milieu aanwezig? Dat waren zo een paar onderzoeksvragen. Nu zijn er verschillende manieren om rupsen in bomen te tellen. Je moet er natuurlijk niet aan denken dat je ze allemáál moet tellen. Dus neem je monsters: zoveelste tak van zoveelste boom, et cetera. De meest elegante manier die de Groningers gebruikten was het tellen van keutels. Zo'n rups eet bijvoorbeeld dennennaalden, en de onverteerbare resten werpt hij van tijd tot tijd uit. Het is wonderlijk, maar aan de vorm van die rupsenpoepjes, nog geen millimeter groot, kun je de soort van de maker herkennen. Dus kun je al een heel aardige indruk krijgen van de bewoners van een boom door er een vangnet onder te hangen en daaruit ieder uur de keuteltjes te oogsten. Die manier van tellen moet je dan natuurlijk nog ijken tegen de bovengenoemde waarbij je echt rupsen per tak telt.


Bezig aan een "moeilijk geval".
(foto Rinny Kooi)
Als geestig gebaar naar Piet, construeerden de Leidse biologen eens de zogenaamde Kuijten's Keutel Karrousel, KKK, samengesteld uit een omgekeerde fiets, wat kartonnen sleuven, een emmer dennenappels en een handvol mini-rotjes. In de kunstwereld heet zoiets tegenwoordig een installatie. Voor ons stelde het een apparaat voor dat snel en vaardig keutels telde. Als het draaide schoten de dennenappels als kogels door de lucht, terwijl we met de rotjes de 'honderdtallen' aftelden. Piet nam het stilletjes in ontvangst, waarschijnlijk blij toen al die aandacht weer ván hem geweken was. Vriendelijk en licht ontwijkend, zo was hij ongeveer. Op de enige foto die ik in die tijd van hem kon knippen, steekt hij zijn tong uit naar de camera.

Tot zover de rupsen. De koolmezen, om wie het allemaal begonnen was, moesten strak geobserveerd worden. Vroeg op, laat af, werden ze bij toerbeurten in de gaten gehouden, en ieder insect dat ze hun jongen brachten zo goed mogelijk in de vlucht herkend. Om het allemaal wat beheersbaarder te maken, waren nestkasten opgehangen, zodat je tenminste wist dat de nesten op goed zichtbare plaatsen kwamen. De poëtische verzuchting aan het begin van dit essay zal voor de lezer nu begrijpelijker zijn. Ze durfden die versregels nooit uit te spreken in tegenwoordigheid van hun baas, Luuk Tinbergen. Het was wel zeker dat die dit soort humor niet zou appreciëren.

Piet dichtte trouwens zelf ook wel eens. Soms, in de latere jaren, liet hij ineens een paar wel-klinkende regels uit zijn mond vallen. "Van mezelf", gaf hij dan met enige trots toe, maar meer dan zulke fragmentjes heb ik helaas nooit van hem gehoord. De gevoelige ziel die hij was liet niet makkelijk iets over zijn zachtere roerselen los. "Ja, maar ik weet niet of ik 't nog ergens kan vinden", ontweek hij me als ik er verder naar vroeg.

De onverwachte dood van Luuk Tinbergen in 1955 betekende het einde van het Groningse koolmezenwerk. Ik zag Piet niet meer, tot hij omstreeks 1970 in Leiden opdook. In dat jaar werd Koos Wiebes hoogleraar in de Systematische Dierkunde. Koos haalde Wim Herrebout uit Groningen naar Leiden voor het vergelijkend onderzoek aan stippelmotten, en Wim bracht Piet mee. Zo was hij weer in de buurt, maar tot veel meer dan elkaar af en toe eens zien, en mogen tutoyeren leidde dat niet. De afdeling van Wiebes huisde vooral aan de Doezastraat en had alleen een pied à terre bij ons in de Sterrewachtlaan, en soms bezocht Piet onze stafcolloquia, maar dat was al. Je kunt je dus met reden afvragen of we elkaar wel kenden. Toch, toen ik na mijn pensionering mocht kiezen tussen een kamer naast die van Piet of andere locaties, aarzelde ik geen moment, en wat hem betreft was ik welkom. En zo kwamen we geregeld aan de praat.


Hoewel hij, uit Groningen komend, voor ons in Leiden gemakkelijk voor een Noorderling versleten werd, was hij geboren en getogen in het Brabantse. Katholiek opgevoed en bij de paters op school. "Wel, menneke, da moedege nou maar geleuven" en dergelijke vermaningen, die aan de schooljongen Piet niet echt besteed waren. Zijn kritische geest was al actief, en hij schroomde niet om bij de catechismusles lastige vragen te stellen. Ook geen modale Brabander dus, vermoed ik, maar goed op de hoogte van Zuidelijke zaken. Toen ik een keer vermeldde dat Wim van Est wel de erenaam 'de Beul van 't Heike' droeg, verklaarde Piet me meteen waar die plaatsaanduiding op sloeg. 'T Heike was een streek aan de Belgische grens waar smokkelaarspaden liepen. Hij zong vóór hoe de smokkelaars daar zogenaamd de brand gingen blussen: "Waar is de brand; waar is de brand", terwijl ze met één voet in en één voet naast het smalle, uitgesleten paadje liepen. Later gingen ze dan net zo terug, met de gezongen mededeling dat de brand al uit was.

Met ex-Roomsen onder elkaar kun je later een hoop plezier hebben. (Ex-)andersdenkenden hebben daar geen idee van. Je verstaat dezelfde grapjes, dezelfde nostalgie, en je begrijpt de pijn die je allebei geleden hebt aan de vormen, sommige bizar, andere wreed, waarin de kerkleiding het geloof geperst heeft. Met Piet was dat niet anders. Je begrijpt later niet dat je die verhalen echt geloofd hebt; je bent niet van plan ooit nog iets te geloven, maar dat impliceert tegelijk dat je ook niet zeker weet dat het allemaal níet waar is. Met name de eenmaal gezaaide ongerustheid over wat er na de dood komt gaat nooit meer over. Piet had daar ook last van, al zou hij dat niet gauw volmondig uitspreken.

Hij was best veelzijdig begaafd. Behalve soms dus dichten speelde hij piano. Waarschijnlijk dichtte hij ook daarop vooral voor zichzelf. Zijn gevoel voor talen kwam hem goed van pas bij die bovengenoemde dikke boeken, die vaak in het Spaans of Russisch e.d. geschreven waren. Maar entomologie was zijn passie. Het was niet uit verveling dat hij tot zijn 82ste dagelijks naar het lab kwam. Thuis had hij zijn eigen keververzameling waar hij net zo graag mee in de weer was. Veeleer bestreed hij met die dagelijkse gang zijn neiging tot kluizenarij. "Zo spreek ik nog eens iemand", zei hij er zelf van. En het werk aan de collectie van Naturalis gaf hem een gevoel van nuttig zijn. Hij had zich ten doel gesteld om alle bladsprietkevers in die verzameling te rangschikken en waar mogelijk op naam te brengen. Een monnikenwerk en een heel grote dienst aan wie dan ook in de toekomst deze groep gaat bewerken. Men moet in een museum thuis zijn om te weten hoeveel van die grote dozen propvol met opgespietste  beestjes er staan te wachten. Gedurende tientallen zo geen honderden jaren hebben vaklui en liefhebbers in alle werelddelen insecten verzameld, geprepareerd en naar musea gestuurd.


Met zijn verzameling.thuis.
(foto Rinny Kooi)
In vroeger jaren had Piet daaraan zelf vlijtig meegewerkt, vooral in Afrika als ik me goed herinner. Niet zonder gevaar, zulke tochten, want de verzamelaar moet zich vaak buiten de getreden paden begeven. Pestkop Herrebout mocht hem dan vóór zijn vertrek een beetje jennen met citaten als "Aber wer hätte ahnen können dass es zum letzten Mal war dass der Peter.....". Hij kon er nu wel om lachen. En dan de oprechte verbazing van toeristen in de hotels als ze vernamen wat hij er deed en wat hij allemaal zag waar zij alleen maar kijkgroen waarnamen. In gedachten zie ik hem daar bezig, stilletjes en gedreven zijn gang gaand, gefascineerd door de rijke natuur en popelend om anderen daarover te vertellen - als het hen interesseerde tenminste.

Toen ik op het lab naast hem kwam 'wonen', was hij kwiek voor zijn leeftijd. In de weekeinden maakte hij vaak lange wandelingen met Freena. Tot, een paar jaar later, de cardioloog zijn verbazing uitsprak over wat Piet allemaal deed met de hartafwijking die hij had. Op Piet werkte dat als een waarschuwing; ondanks goede voornemens om zijn conditie te behouden namen zijn inspanningen in snel tempo af. Zijn wereld werd kleiner.

Een volgende ingrijpende gebeurtenis was de ontruiming en sluiting van het Astro-gebouw waarin we beiden onze werkplek hadden., en waar we wekelijks koffie dronken met de groep van Edi Gittenberger. Het was juni 2008. Piet voelde zich aan de dijk gezet, staakte verdere bewerking van het Naturalis-materiaal en trok zich terug op zijn flat. Het bang-zijn om bij zijn werk gestoord te worden en zijn concentratie te verliezen werd toen tot bang-zijn om überhaupt bij zijn dagelijkse activiteiten gestoord te worden. Meer dan ooit koos hij, als het tussen angst en eenzaamheid ging, voor de laatste. Het is denk ik aan Freena, Rinny en Jan te danken dat hij contacten bleef onderhouden. Toen zijn krachten definitief afnamen, werkte hun persoonlijke 'alarmdienst' perfect. Voor de tweede keer acuut naar het ziekenhuis gebracht ebde hij daar zachtjes weg.

Piet heeft in zijn leven heel wat monnikenwerk verzet. Misschien wás hij wel een monnik naar den geest, met zijn toewijding, bescheidenheid, en zijn talent voor eenzaamheid. Als zovele bange mensen kon hij bij tijden bikkelhard oordelen over medemensen, maar voor allen die hem kenden was hij: Piet Kuijten, een beminnelijk mens.

(Koenraad Kortmulder, augustus 2019)


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.