woensdag 5 september 2018

On Tangentiality in the behaviour of animals and humans; an essay in instalments I-VII. (Over Tangentialiteit in gedrag van dieren en mensen; een essai in afleveringen)

As of to-day the instalments I - VI of this essay on this blog are accompanied by summaries in English. The summaries of I and II are printed at the end of instalment II; all others at the end of the appropriate instalments.

Viz.

I    Lateral display; 4 January 2013
II   Courtship; 16 March 2013
III. 'Tederheid' and 'teder' behaviour (tenderness); 19 March 2013
IV. Hedonic and Agonic; 28 March 2013
V.  The cognition of Congener; 19 April 2013
VI. Tension and Symmetry; 25 April 2013
VII. Literature Cited; 29 April 2013       

donderdag 5 juli 2018

Veneto 2018.

Alles is bij nader toezien altijd ingewikkelder dan je eerst dacht. In de wetenschap heet dat de Baard van Nelson, die altijd weer ontsnapt aan het scheermes van Ockham. Wie daar verder over wil nadenken kan ik naar mijn artikel van 2 december 2012 op dit blog verwijzen, maar je kunt nu misschien maar beter gewoon doorlezen.

Deze juni-maand was ik voor twee weken in Padua in Noord-Italië. Van daaruit kun je heel wat andere beroemde steden gemakkelijk per trein bereiken: Verona, Bologna, Trento en natuurlijk Venetië, alsmede alles wat daartussen ligt. Vandaar dat ik er graag heen ga. Het leukste vind ik het ontdekken van plaatsen waar ik nog nooit geweest ben. Dat werden deze keer Thiene, Schio en Belluno, alle drie gelegen tussen voetheuvels van de Alpen, maar in essentie nog op vlakke dalbodems. 
Thiene, Villa (Castello) Da Porto Colleoni-Thiene
(foto auteur)



Thiene, keramische versiering (foto auteur)


Schio (foto auteur)
Schio (foto auteur)
Schio (foto auteur)
Belluno (foto auteur)
Belluno, resten van beschildering (foto auteur)
Belluno, geschilderde raamdecoratie (foto auteur)
Belluno, beschildering (foto auteur)

Hernieuwde kennismaking met een stadje dat ik heel lang geleden bezocht heb is echter ook niet mis. Bij zowel Trento als Mantua was dat 10 à 20 jaar geleden, en zoals ik al eens uitgelegd heb zijn ze voor mij dan zo goed als nieuw, niet omdat ik een slecht geheugen zou hebben, maar doordat ik nu op heel andere dingen let. Tóen had ik vooral oog voor architectuur, en tegenwoordig ben ik gespitst op de kleuren en eventuele fresco's op de huizengevels. Hoe ziend/blind mij dat maakt bleek wel in Trento. Ik had me voorgenomen er op zoek te gaan naar gevelschilderingen anders dan die op de paleizen aan het domplein, de enige die ik me herinnerde. Toen ik er deze keer aankwam bleek ik helemaal niet te hoeven zoeken. Zodra je het plaatsje vanaf het station binnengaat loop je tegen de beschilderde paleizen op.


Trento, Palazzo Geremia (foto auteur)

Trento, Palazzo Geremia (foto auteur)

Trento, Palazzo Quetta Alberto-Colico (foto auteur)

Trento, Palazzo Quetta Alberto-Colico (foto auteur)


Trento, Palazzo Saracini Cresseri (foto auteur)


Trento, Case Cazuffi-Rella (foto auteur)

Trento, Palazzo Balduini (foto auteur)


Met die ontdekking was ik heel blij, omdat me in één keer duidelijk werd dat Trento niet voor niets de bijnaam 'urbs picta' - de beschilderde stad - draagt, maar ook omdat ik gelijk weer overtuigd was van mijn stelling dat gevelschilderijen in Noord-Italië vooral bij de (alpiene)  bergstreken horen. Ik schreef al eens een essay op dit blog - 19 juli 2016 - over dat onderwerp. Daarin vertelde ik dat in de streek rond Bologna veel zware aardkleuren gebruikt worden om de huizen op te sieren. Ten Noorden daarvan, voorbij de Po, overwegen de zachtere kleurtjes, en in plaatsen die tegen de Alpen aan liggen zie je allerlei geschilderde scènes, of non-figuratieve versieringen, op de gevels.

Die indeling presenteerde ik misschien te duidelijk, al noemde ik ook variatie en uitzonderingen. Aan grenzen wordt altijd gesmokkeld, zei mijn vader al, en van die regel heb ik in mijn leven niet vaak afwijkingen gevonden. Daaraan moest ik denken toen ik deze reis ook in Mantua wat beschilderingen aantrof - onverwacht ver naar het Zuiden. En waaratje, zelfs Padua, dat ik intussen aardig dacht te kennen, bleek niet geheel zonder te zijn! Omgekeerd toonden de genoemde stadjes Thiene, Schio en Belluno vooral egale muren, lekker vers in de kleurige verf, terwijl hun ligging vlak onder de bergen andere verwachtingen had kunnen wekken. Het zijn alle drie welvarende plaatsen, die veel toeristen trekken en die er belang bij hebben dat de stad er netjes uitziet. Enige aanwijzingen van het verleden vond ik wel: sporen van schilderingen die door de verf heen te zien waren en in Belluno zelfs nog fraaie, bestaande exemplaren in de oudere buurt (Via Mezzaterra)! Wellicht waren Thiene, Schio en Belluno, net als Portogruaro (zie het eerdere essay), vroeger meer van schilderingen voorzien, maar daar is dan bitter weinig meer van te zien, en speculaties ondersteunen geen theorie. Vandaar dat ik twijfelde.


Mantova (foto auteur)

Mantova (foto auteur)
Vanwege de twijfels was het bezoek aan Trento zo'n geweldige opluchting voor me: de stad is zo vol van beschilderde paleizen dat het straatbeeld erdoor bepaald wordt, en hij ligt evident tussen de bergen. Aldus zijn er nu drie steden die de noordelijke afkomst van de beschilderingen bevestigen: Trento, Feltre en Pordenone. Ze zijn er alle drie zodanig vol van dat geen andere plaats ook maar in de buurt komt.

De manier waarop men met die oude schilderingen omgaat verschilt sterk per plaats. Werden ze in Portogruaro meest overgeschilderd - maar vaak kon je ze onder de verflaag nog zien zitten - in Pordenone werden ze gekoesterd en zelfs weer onder oude kalklagen vandaan geprepareerd! Misschien is de eenvoudigste hypothese op dit moment dat het beschilderen van gevels vooral bij de noordelijke streken hoort, maar dat de grens ervan vroeger meer naar het Zuiden - inclusief Mantua en Padua - gelegen heeft dan ik oorspronkelijk vermoedde. 

De redenen waaróm de schilderingen behouden worden verschillen mijns inziens nogal tussen de drie plaatsen. Trento is de trotse hoofdstad van de autonome regio's Trentino-Alto Adige en Zuid-Tirol en zal daarom wel hechten aan de tradities van deze nogal duits-georiënteerde streken. Bovendien herinneren veel van de beschilderde paleizen aan het concilie waarvan de stad van 1545 tot 1563 gastheer mocht zijn. Voor die gelegenheid werd er heel wat opgetut. Feltre ligt er in de regio Veneto wat verloren bij. De grote paleizen waaruit het voornamelijk bestaat staan hier en daar te koop en waarschijnlijk aan de straatstenen niet kwijt te raken - een spookstad in wording. Niemand die de middelen heeft of het nut inziet van het restaureren danwel wegschilderen. Ook Pordenone ligt in een autonome regio: Friuli-Venezia Giulia; wellicht heeft dat er iets mee te maken.


Padua, Via Belzoni (foto auteur)
Padua, Via Belzoni (foto auteur)

Een toevallige gebeurtenis maakte me deze reis nog eens bewust dat wat ik waarneem een momentopname is, een soort Platland ten opzichte van de historie. Weliswaar schijnt iets van het verleden soms door de verf heen of is het niet helemaal weggeschilderd, maar waar het weg is is het weg. Misschien is in het geheugen van de mensen die er sinds lang wonen iets meer bewaard gebleven. Inderdaad vroeg ik hier en daar aan inwoners of er vroeger meer of minder beschilderde gevels waren, maar dat leverde me weinig nieuws op. Tot die ene bar-dame in mijn hotel me ongevraagd vertelde dat in Padua in het na-oorlogse verleden veel kleine huizen afgebroken zijn en vervangen door hogere appartementen-complexen, en dat juist die kleine huizen vaak beschilderd waren! Op de foto een voorbeeld van zo'n klein huis dat voor de sloop gespaard bleef (Via Belzoni). Zo zouden er in Padua dus (veel) meer geweest zijn, en ik heb geen reden om dergelijke omwentelingen in Mantua of Verona uit te sluiten. Dat gaf dus onverwacht steun aan de veronderstelling dat de traditie van gevel-schilderingen ooit verder naar het Zuiden gereikt heeft; bijvoorbeeld tot de Po. Blijft staan dat ze dichter bij de Alpen op z'n minst beter geconserveerd zijn.

Beste Lezer, mocht je meer van beelden dan van woorden houden, dan gaf dit artikel me toch de gelegenheid je wat nieuwe foto's te laten zien.



zaterdag 28 oktober 2017

Some reminiscenses of Keith Nelson (1934-2017), a great ethologist.

Until recently, the Leiden ethology department was housed  in a tall building seven stories high. On top was the tropical aquarium. When - a long time ago, say 1964 - on Sunday afternoons I went all the way up in the elevator to feed the fishes, a thin, spectacled face with a neat chin-tuft might show and stare at me through the narrow window of the door at the fifth. Keith Nelson preferred the weekends for his experiments with sticklebacks, because then there were less noises and vibrations that might disturb his experimental fish. This arrangement had the additional advantage that he was free in the middle of the week when everybody was at work. He loved to take his car, accompanied by Nancy and their baby daughter Johanna, to explore and criticise The Netherlands.


Keith Nelson in Leiden c. 1964. (Photo by Nancy Nelson)


His driving style was sort of restless: steer, brake, accelerate as an uninterrupted series of actions. Simultaneously, within the privacy of the car, he gave vent to all his little irritations: "you ugly milkboor, get out of my way" or "dirty old man, I'll flatten you!"

His mind worked similarly, springy, keen and sharp, seemingly chaotic but at the same time cutting a straight path for himself through the jungle of other people's objections or current theory. One couldn't fail to appreciate a touch of genius in him. His experiments with the stickleback's 'creeping-through' behaviour caused a minor revolution in the study of this animal's behaviour (1). So far, 'creeping-through-the-nest' - an action that the male stickleback performs from time to time in order to keep the tunnel through his nest open - had been considered as a product of the spontaneous fluctuations of aggressive and sexual motivations. The 'creeping-through' act marks, in that view, the moment when the sexual motivation overcomes the aggressive. Immediately following the act, the male is super eager to court a female; so much so that he will respond to things that have only a remote resemblance to a female stickleback such as a snail or air bubbles rising to the surface.

Individual 'creeping-throughs' are separated in time in the order of hours. As to what determines the length of the interval our specialists (2)  knew that the next 'ct' is delayed in the presence of a conspecific male (enhancing aggression), or expedited by a female. Fair enough. Keith boldly reversed the argument and hypothesised that 'ct' had its own, autonomous cycle with an internal clock that reigned the dynamics of the sexual and aggressive motivations instead of being its result.

In order to test his hypothesis, he designed a simple model with two factors: an Excitation (E) and a Threshold (T), both of which decrease with mathematical precision as long as they are not stimulated. Where the curves of the two processes cross, the fish creeps-through and T is elevated to a fixed value. With this model he could predict the moment of the next 'ct' one and a half to two hours ahead with a deviation of a mere 1 or 2 minutes; an unheard-of precision for a behavioural process! Conducting the experiment was not difficult, but it took a lot of patience. One had to measure the duration of two consecutive 'ct' intervals. The model then predicted the length of the third. You may now understand why Keith worked in the quiet hours: a minimum of stimulation that might influence the course of his E's and T's. His staring through the elevator window wasn't just curiosity but an expression of irritation that somebody dared to come along. To see your experiment being spoilt when you have already invested some hours in it can be very frustrating! Inclined to "flatten" anybody who did!

Keith's model perfectly fitted the behaviour of the stickleback, and not only that. Similar models describe the circadian sleep cycles of animals and humans and sand bathing in chickens (3). Keith doesn't always get the credit he deserves.

Apart from sticklebacks, he observed some other animals, for instance the Song Thrushes in the Leidse Hout. Early morning he would be ready on the spot with his recording gear to catch the singing of the birds. It resulted in a splendid paper in the Festschrift for Piet Sevenster in 1990 (see note nr 6).

Prior to his coming to Leiden, Keith had received his PhD from the University of California at Berkeley. His thesis comprised an analysis of the behaviour of the Glandulocaudinae (4) (tail with glands), a subdivision with relatively few species of the Characidae, a freshwater fish family with more than a thousand, perhaps thousands of species. "Real fishes", as Keith characterised them, along with other large families such as Cyprinids or Poecilids, and in contrast to such curio's as Sea-horses, Sticklebacks or Mud-skippers.

Modesty was not among Keith's virtues. Sometimes he wore a 'deerstalker' à la Sherlock Holmes, thus implying that others were like Watson, Lestrade or even Athelney Jones. Great sense of humour, though. Laughed a lot about all those diminutives with which Dutch language abounds and when he first had heard the word 'eventjes' he nearly died of it. Together with Ilan Golani and Wolfgang Schleidt he played many a prank at the IEC (5) of Stockholm in 1965 - but that is another story.

He coined the phrase "Dutch Drive Mysticism" to jeer at the Leiden ethologists, because they valued and thought in terms of Lorenz's and Tinbergen's theories of motivation. To be sure, they weren't exceptional; pick any handbook on ethology of the time and you'll find at least a chapter on motivation and 'drive' as well as one on conflict behaviour (when two motivations interact). Keith's PhD thesis broke new soil by introducing stochastic processes in behaviour, that is when behaviour elements follow one another in a perfectly random order. The chance that an element occurs at a given moment is then dependent only on its general probability of occurrence, and not on preceding elements. Such a state of affairs does not tally with the classical notion of underlying motivations that fluctuate slowly relative to the visible succession of behaviour elements; and so Keith opposed the classical view.

In particular, his criticism was aimed at a common error of thought. Suppose one wants to test the hypothesis that aggressive (or sexual, escape or parental) motivation plays a role in behaviour acts A, B or C. Then "what is the best parameter of aggression (mutatis mutandis)?" was an often-heard question. It hid an erroneous assumption, though, that 'aggression' was a visible and tangible entity, the existence of which had been scientifically established; whereas it was really a theoretical construct to explain a collection of facts. As if the aggressive drive is something one may pick up and measure length, weight or activity of, the equivalent of an upper arm bone, a sweat gland or a stomach. Even in these anatomical examples, however, differences between parameters are of a qualitative nature rather than 'better' or 'best'.

And after Leiden? One might have expected a successful career; that man had the capabilities to alter behavioural science, but it went differently. After some years at the University of Maryland and San Francisco State University, he spent a sabbatical at Tel-Aviv University in 1971. There he interacted with many colleagues, particularly with Ilan Golani; and there he must have done most of the necessary computer work for his great analyses of the song of the European Song Thrush for Sevenster's Festschrift (6) and another pioneering study involving the song of Swainson's Thrush published in 1973 (7). Ilan Golani recently recalled how Keith would spread the prints of all the song types on the floor and stand upon a chair to get a good overview.

He worked at the Bodega Marine Laboratory, Bodega Bay, California from c. 1974 to 1992 and published a fair number of articles on the genetics and evolution of various commercially important organisms; not the epoch-making quality of his behaviour papers, but staunch good quality. Many a young revolutionary ends up as an old master, and Keith seemed to follow the trajectory. However, it looks like the revolutionary blood remained. After retirement in 1993 he devoted his life to the Arts, creating colour etchings. Some pictures of them may be found on facebook:
https://www.facebook.com/KeithNelsonArtist 


The Grandchilds with Keith and Nancy c. 2008
(Photo by Hanna Nelson) 

Notes 

(1) Nelson, K. 1965. After-effects of courtship in the male three-spined stickleback. Zeitschr.f.Vergl.Physiol. 50: 569-97.

(2) Iersel, J.J.A. van 1953. An analysis of the parental behaviour of the male Three-spined Stickleback. Behaviour Suppl. 3: 1-159.
Sevenster, P. 1961. A causal analysis of a displacement activity (Fanning in Gasterosteus aculeatus L.)  Behaviour Supple. 9: 1-170.

(3) Daan, S., D.G.M. Beersma & A.A. Borbély 1984. Timing of human sleep: recovery process gated by a circadian pacemaker. Am. J. Physiol. R161-R178.
Hogan, J.A. 1997. Energy models of motivation: a reconsideration. Applied Animal Behaviour Science 53: 89-105.

(4) Nelson, K. 1964a Behaviouir and morphology in Glandulocaudine fishes (Ostariophysi, Characidae). Univ. of California Publ. Zoology. 75/2: 59-152.

(5) International Ethological Conference.

(6) Nelson, K. 1990. Hierarchical organization, revisited. Neth. J. Zool. 40(4): 585-616.

(7) Nelson, K. 1973. Does the holistic study of behavior have a future? In: P.P.G. Bateson & P.H. Klopfer (eds.) Perspedtives in Ethology. Plenum Press, New York and London.


maandag 3 juli 2017

Net verschenen: Koenraad Kortmulder & Yuri Robbers: Barbelenverhalen deel 2; Ethologie in Evolutie. Leiden, Lugdunum.

Het is alweer enkele jaren geleden dat Koenraad Kortmulder en Yuri Robbers deel 1 publiceerden van 'Barbelenverhalen; vissen in tropisch water', een levendig en prettig leesbaar verslag van een onderzoek in aquarium en veld aan Barbelen, een groep van zoetwatervissen die bij aquariumhouders heel populair zijn, zoals purperkoppen, sumatranen, prachtbarbelen, enzovoort. Zo bekend als ze zijn, zo weinig was er vóór dit onderzoek bekend over hun leven in natuurlijke omgeving in tropisch Azië, onder andere in Sri Lanka, India en zuidoost Azië. 

In deel 1 verhaalden de auteurs over het onderzoek aan het gedrag van deze dieren in het aquarium van de Leidse Zoölogie aan de Kaiserstraat, en het veldwerk in Sri Lanka, India en Malaysia dat daarop volgde.

Deel 2 gaat over de verdere onderzoekingen die door de gewonnen ervaringen in het veld geïnspireerd werden. We zijn weer terug boven in de Toren aan de Kaiserstraat waar tientallen aquaria onderdak bieden aan ruim 20 soorten barbelen en waar onder het geruis van klimaatregelaar en filters waarnemingen verricht werden door een hele reeks studenten en de eerste auteur. De auteurs weten met hun rustig wandelende stijl ook ingewikkelde zaken eenvoudig uit te leggen. De tabellen met precieze gegevens staan er ook in, maar die zijn samengebracht in een aantal appendixen achter in het boek. Zodoende kan ook de buitenstaander het hoofdverhaal zonder problemen lezen.
Laat u betoveren door de kleurrijke beweeglijke wereld onder water van de barbelen en neem kennis van de verschillen tussen ouderwetse, na-oorlogse ethologie en een modernere aanpak.

Zo heet het:

K.Kortmulder & Y. Robbers 2017. Barbelenverhalen deel 2; Ethologie in Evolutie. Leiden, Lugdunum.

Zo is het te verkrijgen:

bij de bekende websites als Bol.com of Amazon, of direct bij de auteurs: K.Kortmulder, Hugo de Grootstraat 20, 2311 XL Leiden, 071 566 39 70, k.kortmulder@kpnplanet.nl 

En wat kost dat wel niet?

slechts € 10 bij bovengenoemd adres, of ongeveer die prijs bij de genoemde websites.



vrijdag 30 juni 2017

Napels 2017.

Als je de gepolijste treden van het hotel afgaat, kom je in de straat die, ondanks zijn welluidende italiaanse naam, tamelijk morsig is en waarvan het plaveisel her en der opgelapt is of weer opnieuw versleten. Oppassen waar je je voeten neerzet en zorgen dat er uit je zakken niks te jatten valt. Op de stoep links woont een spichtige vrouw die uit de belendende afvalcontainers van alles vist dat volgens haar nog niet weggegooid had hoeven worden: plastic tassen, blikken trommels, kinderknuffels, halflege flesjes. Op het lage betonnen randje onderaan grote, dichtgeplakte winkelruiten heeft ze haar collectie enigszins ordelijk op- en naast elkaar gestapeld. Als ze niet over de ene of de andere afvalbak hangt zit ze bij haar schatten te rusten; een keer zie ik haar een armbandje verkopen aan een voorbijgangster. Op een dag is ze weg, en haar verzameling ook; het stoepje aangeveegd. De volgende dag zitten daar alweer een paar rugzaktoeristen op. Op welke gronden zou ze opgepakt zijn?

Ik loop hier met m'n handpalmen naar mijn broekzakken gekeerd, een beetje als in een Western. Alleen geldt dat hier het alert zijn op mogelijke zakkenrollers. Het staat ook wat weerbaarder en daar put ik moed uit. Vijftig meter verder is er een zebra-pad. Het maakt niet veel uit of je daar gebruik van maakt, want als voetganger ben je hier toch al tamelijk veilig, althans voor auto's. Zodra je gedecideerd te kennen geeft dat je over gaat steken, stoppen alle auto's groot en klein voor je, of je nu op een zebra loopt of helemaal niet. Alleen motorrijders en scooters stoppen niet voor een voetganger. Die tweewielers wringen zich tussen twee rijen auto's links en twee rechts door en houden daarbij zo weinig ruimte over dat ze geen voet aan de grond kunnen zetten. Ze zullen je niet gauw aanrijden, maar schelden kunnen ze wel.


Via Lucci (foto van de schrijver)

Het grote Piazza Garibaldi vóór het station is geweldig opgeknapt. Jarenlang werd het gedomineerd door hekken die de publieke ruimte reduceerden tot een smal tracée met verzakt plaveisel langs de kanten, tot wanhoop van de daar gevestigde horeca. Nu zijn de schuttingen weg. Behalve een nieuwe metrolijn is er een moderne winkelgalerij gecreëerd op een meter of tien diepte, slechts luchtig overdekt door een smaakvol stelsel van metalen pijlers en roosters dat ver boven het plein uitsteekt en zowel het licht filtert als interessante lichtvlakeffecten heeft. Doordat de open winkels met klimaatmachines gekoeld worden heeft de hele galerij bij de heersende zomerse temperaturen een aangename frisheid. Terrasjes maken er een oase van. Ook in het station zelf is ver de grond in gebouwd. Je kunt trouwens ondergronds van de ene naar de andere ruimte komen. Op pleinniveau zijn de terrassen aan de zuidzijde weer mooi geworden en volop in bedrijf.


Galleria Commerciale Napels
(foto's van de schrijver)

Nu we toch bij het station zijn: waar kun je allemaal heen? Bijvoorbeeld naar prachtige plaatsen en landschappen zoals Sorrento, Salerno en Amalfi. Ik heb daar al eens over geschreven; tijd dt u het zelf eens gaat zien of er bij dezen aangenaam aan terugdenkt.



Amalfi, de kathedraal (onder)
en de kruisgang Chiostro del Paradiso
Salerno, mozaïek in de dom
Salerno
















Sorrento
(foto's van de schrijver)

Nieuw voor mij waren plaatsen ten Noorden van de stad zoals Capua, Caserta alsmede de vroegere locaties van deze stadjes, respectievelijk Santa Maria Capua Vetere en Caserta Vecchia. De regio is vol oude historie. Om Capua begon voor de Romeinen hun eerste oorlog met de Samnieten, een boerenvolk van de onvruchtbare bergstreken dat net als de eerstgenoemden op expansie belust was, in hun geval vooral naar de vruchtbaarder gronden in de vlakte. De oorspronkelijk Etruskische stad was in die tijd al geïnfiltreerd en in feite overgenomen door Samnieten. Maar de ene Samniet was de andere niet en de stadsbewoners voelden zich bedreigd door hen die nog in het bergland woonden. Een verdedigingsverdrag met Rome leidde echter juist tot oorlog, de eerste van de drie die tenslotte door de Romeinen gewonnen werden. 
In Capua Vetere bevindt zich ook een klein museum met voorwerpen uit de Samnitische tijd, een amphitheater en een ondergronds Mithraeum. In een Mithraeum werden geheime rituelen gevierd ter ere van de Perzische (1) god/held Mithras. In de vroege eeuwen van onze jaartelling was deze eredienst wijd verbreid in het romeinse rijk en een geduchte concurrent van het jonge christendom. In het Mithraeum van Capua Vetere kan men in een muurschildering zien hoe Mithras een witte stier doodt, en uit de onderdelen daarvan diverse typen mensen doet ontstaan. Een scheppingsverhaal dus. Het lidmaatschap van deze religie was populair, vooral onder minderwel-gestelden, omdat het een beter hiernamaals beloofde dan de officiële romeinse godendienst.


(foto's van de schrijver)

Capua


















Capua Vetere, amphitheater en museumstuk
(foto's van de schrijver)

De tijd heeft intussen niet stilgestaan. In de Middeleeuwen werden in deze streek grote kerken gebouwd. Een van de interessantste is die van Sant' Angelo in Formis, een dorpje op een paar kilometer van het tegenwoordige Capua. Er gaat een locaal treintje heen vanuit Caserta, twee haltes voorbij Santa Maria Capua Vetere. Het personeel van deze plaatselijke lijnen is immer vriendelijker en behulpzamer dan dat van Trenitalia, de italiaanse NS. Op het perron van Sant' Angelo deden de conducteur en de stationschef samen moeite om me uit te leggen met welke treinen ik weer terug kon, en de weg te wijzen naar de beroemde kerk. Bij terugkeer van mijn wandeling vroeg de laatste hoe het geweest was.
Nu wist hij niet dat het gebouw zich in grootschalige restauratie bevond en niet bezichtigd kon worden - waaruit je kunt afleiden dat er niet vaak iemand naar komt kijken. Op driekwart van de afstand riep een motorrijder me al toe dat de kerk toe was. Bereid om genoegen te nemen met de aanblikken van de buitenkant - de reisgids sprak bijvoorbeeld van een arabisch portaal - zette ik dóór op de weg die, aanvankelijk vlak, almaar steiler omhoogliep. Toen ik tenslotte op het hoogste punt kwam, werd mijn verdere voortgang verhinderd door hekken dwars over de weg, ondoorzichtig gemaakt met aangehechte zeilen. Er waren lichtpunten. In Italië voorziet men dergelijke afrasteringen vrijwel altijd van afbeeldingen van hetgeen aan het oog onttrokken is. Zo waren ook hier de zeilen rijk verlucht met foto's van ex- zowel als interieur van de oude, uit 1077 stammende, basiliek. 
Een bede tot twee bouwvakkers die zojuist met een enorme vrachtwagen het werk kwamen versterken was tevergeefs. Ik nam dus genoegen met het bekijken en fotograferen van de foto's, uiteindelijk toch tevreden omdat ik een goed idee gekregen had van hoe de kerk eruit zag, zowel de klassieke, romaanse bouwwijze als de beschildering - het nieuwe testament in regels boven elkaar langs de wanden van het middenschip, een ontzaginboezemende Christus Pantokratôr in de apsis, een laatste oordeel op de achterwand én natuurlijk het arabisch geïnspireerde voorportaal - met een blij gevoel dat zoiets moois hier na bijna 1000 jaar nog stond en dat er blijkbaar goed voor gezorgd werd.














In tegenstelling tot de weg van het station, lag de ruimte tussen de hoge, losstaande poort en de hekken in de schaduw en een muur-ondersteunende brok steen bood een geriefelijke zitplaats, zodat ik ruim de tijd kon nemen om te bekomen van de wandeling en het wél-geopenbaarde in me op te nemen. 
Een jongen van een jaar of 16 komt van beneden fietsen en stopt bij me. Kennelijk om een praatje te maken met die zeldzame vreemdeling maar, zoals dat op die leeftijd gaat, zonder goed te weten wat hij moest zeggen. Ik neem dus maar het initiatief: of hij hier woont, Engels op school krijgt, aan het oefenen is voor de Giro... en beslis ook het moment van afscheid nemen.



Na de afdaling rust ik lekker uit op een terrasje in het dorp, waar de dorpsgek nog gewoon lid is van de gemeenschap. Ze plagen hem soms een beetje en lachen veel samen met hem.
Beste lezer, ik hoop dat je over een jaar of twee, drie ook eens gaat kijken naar die mooie basiliek als hij af is. Wel van te voren informeren natuurlijk of hij weer open is. Wie weet komen we elkaar nog tegen als ik weer eens in die buurt ben.

Men neme, zoals overal in Zuid-Italië, de tijd voor al deze verplaatsingen. In het Centraal Station van Napels komen de gewone treinen, de Metropolitana en de treintjes van de Circumvesuviana bij elkaar. Dat lijkt heel handig, maar in mijn ervaring is de bewegwijzering slecht, en personeel van concurrerende bedrijven werkt niet erg samen om de reiziger te helpen. Zo kunnen de aanwijzingen over bepaalde treinen die je krijgt uit de kaartjesautomaten - overal elders in italië de beste informatiebron - en/of de speciale informatiebalie wel eens afwijken van die van de conducteurs. Zodoende willen de laatsten, handig opgesteld bij het begin van het kop-perron, je wel eens de toegang weigeren tot een trein die de andere bronnen nu juist aanbevolen hebben. Zulke dingen kun je als frustratie ervaren, maar ze horen ook bij de zuidelijke charme van dit heerlijke land. Als je je niet tot haast laat verleiden kom je altijd wel waar je wezen wilt. De gebreken zitten puur in de informatievoorziening; alle treinen rijden stipt op tijd.

De lof die ik boven zong over het Piazza Garibaldi bleef beperkt tot de zuidelijke helft ervan. Gij lezer hebt dat misschien niet opgemerkt, maar ik deed het expres. Dat aan de andere helft nog gewerkt wordt is iets dat nog wel overgaat. De andere 'oever' echter heeft niet veel goeds te bieden. De hoge dichtheid van allerhande hangvolk wordt daar blijkbaar gedoogd. Toen ik met de terminalbus van het vliegveld kwam, bleek de halte vlakbij het plein omzwermd te zijn door leden van diezelfde populatie. Terwijl ik me nog oriënteerde en deze en gene figuur probeerde te ontwijken had iemands al ongemerkt mijn rugzak opengeritst en daaruit mijn schets- en schrijfboek gestolen. Eigen schuld natuurlijk - verwend door jaren in veiliger steden had ik de rugzak niet op de borst hangen en de ritsen niet gezekerd.
Pas een paarhonderd meter verder, midden voor het station, waarschuwde iemand me dat mijn rugtas openstond. Wat mij nog steeds verbaast is dat alleen dat boek weg was; de telefoon en de camera zaten er nog in. "Wat zijn dat voor dieven?" dacht ik; "of was het alleen een demonstratie van kunnen? Wie weet een zakkenrollersworkshop??" Hoe dan ook, het schetsboek waar nog niets in stond was spoedig vervangen en ik was voor de rest van m'n verblijf weer gewaarschuwd.

De laatste jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in de kleurengamma's die italiaanse stedelingen aan hun huizen geven. Mijn vorige bezoeken aan Napels vielen daarvóór, toen ik nog geen stukje geheugen voor dit onderwerp gereserveerd hield. Ook wat dat betreft had ik dus nog wat te ontdekken.






Napels; vooral zachte kleuren (foto's van de schrijver)
Als in alle grote steden is de variatie in kleuren groot, maar de Napolitanen - de omliggende kleinere plaatsen incluis - lijken een voorkeur te hebben voor tere tinten boven verzadigde, en vooral voor allerlei schakeringen en variaties van (licht)geel. In de stad vond ik slechts één straat die een duidelijk statement in kleur maakte; bepaald uitzonderlijk voor deze stad.




Vergeleken met Rome zijn de kleuren van Napels bescheiden.

Koenraad Kortmulder, 22 juni 2017.

(1) De perziche afkomst van Mithras wordt tegenwoordig apocrief geacht. Er zijn geen aanwijzingen van Mithraïsme elders dan in sommige delen van het Romeinse Rijk. Daar verschijnen de sporen van de eredienst plotseling in de eerste eeuw van onze jaartelling. Ze verdwijnen even abrupt in de vierde eeuw.

woensdag 28 juni 2017

Een weerzien met Rome. Kerst 2015.

Ik verkijk mij altijd weer op de afstanden in echte grote steden als Londen, Parijs of Rome. Om op een handzaam vel papier te passen zijn de plattegronden van die urbane giganten zo gecomprimeerd dat grote blokken klein lijken en 'een paar straatjes verder' een eindje van niks. Zo verbleef ik deze winter te Rome in een hotel dat vlak achter het Vaticaan leek te liggen. In werkelijkheid bleek de kortste weg naar het Sint Pietersplein een half uur lopen. Je went er snel aan de kaart op de juiste wijze te lezen, maar de argeloze reiziger moet er bij de voorbereiding van een eerste bezoek wel rekening mee houden.

Rome werd rond de winterse feestdagen van 2015 zwaar bewaakt. Overal stonden soldaten in camouflage-pakken met niet mis te verstane wapens in aanslag. Die jongens maakten overigens een vrij ontspannen indruk. Ze staken daarin af bij de politie. Misschien wel logisch, want ze hoefden geen gezag te handhaven, iets waarmee italiaanse agenten het meestal erg druk hebben. Voor de militairen bestond de enige, potentiële, vijand uit een terrorist die een aanslag ging plegen, terwijl politiemensen zich tegenover iedere gewone burger waar moeten maken. De dreiging van een aanslag hing in de lucht en de militaire aanwezigheid maakte je daarvan voortdurend bewust. Sommigen zeiden dat de mensen daardoor onnodig banggemaakt werden, maar op mij had het een geruststellend effect. In ieder geval heb ik er geen haar minder door genoten.

Winterse bezoeken aan zo'n zuidelijke stad hebben hun eigen charme. Zo had ik de Sint Pieter al minstens driemaal aandachtig bekeken, maar het was nu voor 't eerst dat ik hem - of is het haar - bij donkere avond bezocht. Buiten wordt de reus alleen maar indrukwekkender door de steil omhoog schijnende spotlights, die op de muren niet meer dan een schemer weten te wekken. Binnen wordt de architectuur op de achtergrond gedrongen door de verlichting op de ornamenten in de gewelven. Alle bewondering en kritiek die ik bij vorige bezoeken op het gebouw als geheel had gehad smolt weg in het rood en goud van de onderdelen.


nachtverlichting buiten en binnen de Sint Pieter
(foto's van de schrijver)

Donderdag 24 december: de beruchte rijen voor de toegang van de Vaticaanse Musea zijn vanmorgen gereduceerd tot een telbaar aantal mensen. Zelfs het verschil tussen hen die on-line gereserveerd hebben en de bonnefooiers valt weg. We mogen allemaal door elkaar naar binnen schuifelen. Binnen is het toch nog best druk. In het Etruskisch Museum valt het mee, maar in de lange, lange zalen verderop is het drentelen geblazen voor wie even door wil lopen naar de Stanze di Raffaello. In die kamers zelf kijk ik tegen een wemelende zee van hoofden aan waar hier en daar een vlaggetje van een excursieleider bovenuit steekt. Het deert niet, want de muurschilderingen waar het om gaat beginnen pas op veel meer dan menshoogte. Ik vind ze van een ongelooflijke schoonheid. De eerste keer, een jaar of zeven geleden, dat ik deze zalen betrad werd voor mij een bijzondere kunstervaring zoals ik maar eens in zoveel jaren heb. Des te frappanter was dit omdat ik alle schilderingen al kende uit een extra groot formaat boek en ze daarin duchtig bestudeerd had (1). Zo gedurfd en tegelijk zo elegant zijn deze taferelen die met gemak deurposten en andere onderbrekingen in zich opnemen en met slechts enkele figuren een hele wand tot leven brengen; ze vallen niet te reproduceren. Mijn tweede bezoek kon niet anders dan een lichte teleurstelling brengen omdat het verrassingselement van de eerste kennismaking achterwege bleef. Ditmaal kon ik er weer volop van genieten. Mijn ogen zochten vanzelf de hoogtepunten: de School van Athene waarvoor verschillende beroemde kunstenaars-tijdgenoten van Raffaello model waren voor Plato, Euclides en Herakleitos om er maar een paar te noemen; de fantastische entourage van de Mis van Bolsena; het verbijsterde en nog wantrouwige gezicht van Petrus die in de gevangenis midden in zijn slaap gewekt wordt door een engel die hem bevrijdt en naar buiten leidt. Het is maar een greep.


Raffaello: Michelangelo als Herakleitos,
de val van Heliodorus en de Mis van Bolsena.
(foto's van de auteur)

Op het Campo de' Fiori sta ik verbaasd naar een lege vlakte te kijken. Was hier niet een bodembedekkende markt om deze tijd van het jaar? Jawel, maar de vorige burgemeester van Rome, Gianni Alemanno, heeft gezorgd dat alle evenementen die "het historische Rome onwaardig" waren verboden werden. Markten op de beroemde pleinen hoorden volgens hem bij zulke onwaardigheid. Slechts een handvol tentjes staan nu kleumerig bij elkaar aan één van de kanten. Zelfs Befana is op haar bezem gestapt en vertrokken.
Een voordeel is dat het standbeeld van Giordano Bruno, midden op het plein, nu weer de oorspronkelijk bedoelde aandacht trekt. Op een hoge sokkel kijkt het in de richting van het Vaticaan en herdenkt dat Bruno in 1600 hier verbrand werd vanwege zijn 'ketterse' ideeën die hij niet onder stoelen of banken wenste te verstoppen. Integendeel, deze onorthodoxe, anti-dogmatische man deed er luidkeels in woord en geschrift kond van en weigerde ze tenslotte te herroepen. Was hij 'wijzer' geweest, dan was hij niet alleen door de Calvinisten én de Lutheranen geëxcommuniceerd, maar ook aan de verbrandingsdood onder de Inquisitie ontsnapt. Blijft de schande dat een mens door orthodoxe christenen niet alleen verstoten maar ook vermoord kon worden, alleen omdat hij iets anders dacht.
De nieuwe burgemeester Ignazio Marino heeft in de twee jaar die hij zit de maatregelen van zijn voorganger nog niet verzacht. Nu hij onlangs is afgetreden om een schandaal waar leden van zijn partij bij betrokken zijn, is het afwachten hoe het verder gaat.

Ook het Piazza Navona is niet begroeid met kraampjes, hetgeen haar schoonheid ten goede komt. De winterzon straalt in de lengterichting van het plein. Omkijken naar de middelste en uiterste fonteinen in die richting brengt een bijna ondoordringbare aura op het netvlies. Aan deze kant heeft een grote groep jonge priesters iets te vieren. Misschien hun recente wijding, want ze hebben wel allemaal die witte boei om de nek. Reisje naar Rome? In een vierkant opgesteld staan ze te luisteren en mee te klappen met één die niet onverdienstelijk op een saxofoon blaast. Het grote, koperen instrument blinkt in de zon. Een andere begeleidt hem met kloppen op een geïmproviseerde trom. Terwijl de muziek uitsterft rollen enkelen van hen een groen veld uit en installeren een net voor voet-volleybal. Mens sana in corpore sano, schijnen ze te belijden. Of dat volgens hen ook voor de ziel geldt valt te betwijfelen.



Je hebt je misschien ook wel eens afgevraagd waar toch al die loslopende katten gebleven zijn die vroeger in italiaanse steden tussen de ruïnes en in droge kasteelgrachten woonden. Meest uitgemergelde beestjes die leefden van de liefde van voorbijgangers en zich uit pure liefde voortplantten waar family planning op zijn plaats geweest was. Welnu, in Rome kun je ze vinden in één van de grote opgravingen, de Area Sacra di Largo Argentina (2). In die enorm uitgebreide, metersdiepe put bevinden zich de resten van diverse romeinse tempels, en de bevolking bestaat vooral uit zo'n driehonderd straatkatten. Het is een soort asiel in de open lucht, met bed, bad en brood. Dankzij een centrum met vele vrijwilligers krijgen ze goed te eten - een groot bord verbiedt het publiek ze te voeren. In een eigen kliniek op het terrein worden ziekten en verwondingen modern bestreden. Ze kunnen het gebied verlaten, maar ze willen gewoon niet meer weg uit zo'n puik pension.
Toen we erlangs kwamen was er één net naar de straat gekomen om door een voetganger geaaid te worden. Twee anderen zaten op de trap te wachten. Ze zagen er patent uit; goed gevoed en niks geen geknakte staarten zoals je elders vaak ziet. Ook in Nederland kom je geregeld katten tegen die kennelijk een prima huis met prima personeel bewonen maar graag naar het tuinhek komen om door een bekende voorbijganger even gestreeld te worden. Is altijd meegenomen, ieder mens aait weer een beetje anders en misschien is het van een halve vreemde wel fijner. Ik kan niet laten Daan Zonderland te citeren (3):

"Maar het beroemdste was die kat
omdat zij oren had
waarop in Sanskriet stond geschreven:
'Geen kat kan zonder liefde leven'."


Respighi laat in zijn 'Pini di Roma' donkere tonen opstijgen uit een catacombe, alsof daar beneden oude kerkzangen voorgedragen worden. We associëren de duisternis van ons onderbewuste veelal met 'beneden' of  'onder de grond'. Niet voor niets bestaat de term 'onderbewustzijn', terwijl we evengoed 'achter-', 'boven-' of  'naast-' zouden kunnen gebruiken. We diepen een herinnering op, of graven in ons geheugen naar een gebeurtenis van vroeger. Bezoeken we een plek die zich in werkelijkheid onder de grond bevindt, dan roept dat begrijpelijkerwijs al gauw emoties op. Des te meer als andere mensen zulke ondergrondse holen ooit gebruikt of zelf gemaakt hebben. Wat zich daar afgespeeld heeft was immers iets dat - net als het onderbewuste - het daglicht niet moest zien; bijvoorbeeld de rituelen en de daarbij behorende schilderingen van onze vroegste soortgenoten of schuilplaatsen die verborgen moesten blijven.
In het klassieke Rome moesten doden worden verbrand. De christenen uit de eerste eeuwen verwachtten meer of minder spoedig het einde der tijden waarbij de dode lichamen zouden verrijzen. Verbranden van het lijk achtten zij daarmee in strijd. Om de in Rome heersende wet te ontduiken begroeven ze hun doden in het geheim en gingen daarbij letterlijk ondergronds. Zo ontstonden de catacomben. Rond Rome zijn er een stuk of 50 bekend, met naar schatting zo'n 2 miljoen begravenen.
Een blijmoedige, oude pater leidde ons rond door de Catacombe van Callisto, één van de grootste. Zonder gids kun je in de 20 strekkende kilometers van de gangen gemakkelijk verdwalen. In het Nederlands met een smeuiig Vlaams accent verklaarde hij het ontstaan en de geschiedenis van deze ondergrondse begraafplaats: de inscripties op de graven van de pausen, de scherven of snuisterijen waarmee de familie van de doden het graf van hun dierbare markeerden, het architectonische inzicht waardoor kindergrafjes bij de hoeken werden gesitueerd en het opnieuw uitdiepen van een gang om meer grafnissen boven elkaar te kunnen realiseren. Aparte ruimten dienden voor religieuze bijeenkomsten. Dat christenen hier geschuild zouden hebben voor vervolgingen verwees hij naar de fabels, of zoals hij het uitdrukte: "Rome was groot genoeg om je te verstoppen."
In Respighi's Pini lijkt het onderaardse gezang gezelschap te krijgen van een hedendaagse processie die onder het reciteren van litanieën naderbij komt. Op het hoogtepunt klinken beide melodieën samen. Heden en verleden dicht bij elkaar, schijnt hij te willen zeggen. Inderdaad, de mens is niet veel veranderd.
omgeving van de catacombe van Callisto
(foto's van de schrijver)

K.Kortmulder, januari 2016.

Geciteerd:
(1) Deoclecio Redig de Campos 1983. Raphaels Fresken in den Stanzen. Urachhaus
(2) Wikipedia: Largo di Torre Argentina.
(3) Daan Zonderland 1953. De Kok van Marienbad. Spectrum, Utrecht.