zaterdag 6 juli 2019

Parma 2019.

Stratenkleuren.                         
Parma, de Dom (foto vd auteur)



Bij de lift staat een agent. Zonder pet vanwege de warmte, maar blijkbaar met dat attribuut wel in zijn hoofd. Als ik instap wiegelt hij zonder boe of ba met een wijsvinger, Italiaans voor: "niets daarvan". Ik versta het als een verbod; later blijkt pas dat de lift het niet doet. Ik wil naar de wc en die is beneden, maar om met mijn drie stuks bagage de trap te nemen schrikt me af. Dan maar even ophouden. Van de situatie gebruik makend vraag ik waar je kaartjes voor de bus kunt kopen. Met dezelfde vinger wijst hij naar een kiosk, luttele meters verder. De kioskhoudster wijst ook al zwijgend naar de uitgang als ik vraag waar de bus naar het vliegveld vertrekt. O ja, ik ben weer in een grote stad, het station van Bologna. De mensen zijn daar wat korteraf vergeleken bij de streek in en rond Parma waar ik de afgelopen twee weken genoten heb van de warmte van klimaat en mens.

Het gaat de Parmezanen goed. Of het van de vermaarde kaas en de Parma-ham komt of van het toerisme? De huizen zien er vers geverfd uit en 's avonds wordt de grote loggia aan het Piazza Garibaldi già Piazza Grande grondig en nat geveegd door een straatmachine die daarna lang rumoert door de straatjes rond mijn hotel. Waarschijnlijk krijgt de hele binnenstad zo'n beurt.

Intussen verstoort al dat nette schilderwerk het beeld dat ik 14 jaar geleden van het stadje had. Toen waren maar weinig huizen in kleur geschilderd, overwegend in zachte tinten. Nu zijn kleuren veel algemener; de zachte overwegen nog wel steeds, zodat het verschil met Modena in stand blijft. Door de afwisseling en de aanwezigheid hier en daar van wat fellere kleuren maakt Parma een aanzienlijk vrolijker indruk. Zowel vergeleken bij Modena, waar ze van zware okertinten houden, als met het Parma van toen. Het leek mij de moeite waard om mijn indrukken te toetsen aan die van de man achter de balie van mijn hotel, en die bevestigde wat ik had menen te zien. Mijn interpretatie dat de Parmezanen rijker geworden waren leek hem ook aannemelijk.

De plaatsen ten Westen van Parma die ik deze reis bezocht, sloten zich qua kleuren in 't algemeen bij Parma aan: Piacenza, Cremona, Lodi; alleen in Fidenza zag ik aanzienlijk wat felgekleurde gebouwen. Bij verder onderzoek naar dit verschijnsel zal de statistiek eraan te pas moeten komen. Het is niet vol te houden, met zoveel te vergelijken plaatsen, alleen op algemene indrukken te bouwen.

Thalassa, thalassa!     
            
(foto's vd auteur)

 




Er is een directe treinverbinding tussen Parma en La Spezia aan de Tyrreense Zee (of eigenlijke aan het deel daarvan dat aan Ligurië grenst, de Mare Lígure, of nog beter aan de Golfo del Poetto, de Baai van de Dichter). Nu ja, zee is zee, en het is een aparte ervaring om in korte tijd vanuit het agrarische Emilia ineens de zilte lucht te proeven. La Spezia is een marinewerf, aanlegplaats voor cruiseschepen en tegelijk veelbezocht toeristenoord in het midden van de Italiaanse Rivièra. Je slentert vlak langs het water over een promenade met palmbomen, rozenperken, Strelitzia's en heel grote schijfcactussen. De stemmen gonzen, langs een andere oever liggen talloze jachtjes en als je heel ver tussen de cruiseschepen doorkijkt, zie je de havenbedrijvigheid waarmee geld verdient wordt. Ik heb het zeker niet voldoende recht gedaan, want de plaats die grootsteeds oogt met zijn hoge gebouwen heeft ook mooie musea en een kathedraal uit de 14de eeuw.

Ik vermoed dat de Romeinen al een weg hadden, een zijpad van de Via Emilia, die langs hetzelfde traject naar de kust voerde. De trein gaat vanuit Parma eerst het dal van de Adda op, maakt dan een bijna haakse bocht en daalt een ander dalletje weer af. Nergens komt hij echt hoog. Er zijn veel tunnels, maar wat je uit de ramen ziet is alles groen en liefelijk, bos, weiden, boerderijen en dorpjes. Van tijd tot tijd duikt het riviertje op dat zich langs en tussen banken van grijze stenen door vlecht.

Lodi.  
station Lodi (foto vd auteur).

Voor het warm-roze stationsgebouwtje staat een donkere sculptuur van een rolhockeyer, herinnering aan een kampioenschap. Er zit voldoende vaart in het beeld en de rolschaatsen zijn op vindingrijke wijze gestileerd. Roze is in Italië niet de kleur van meisjes en sissies. De koploper van de Giro  draagt een roze trui. De onmiddellijke reden daarvan is dat de Gazetta dello Sport, die de wedstrijd organiseert, op roze papier gedrukt wordt. Waarom dàt dan weer is moeilijker te achterhalen, maar als roze de kleur was geweest van geboorteberichten van meisjes zoals bij ons, dan had die krant vast een andere tint gekregen.

Wat gaan de Italianen toch heerlijk royaal om met de ruimte in hun steden. Lodi is maar een klein stadje, pakweg 40.000 inwoners, maar het vierkante Piazza della Vittoria waaraan ook de dom ligt heeft vorstelijke afmetingen. Het is belegd met ovale, aan elkaar gekitte rolstenen, een levendig ogend tapijt waarin af en toe stromingsfiguren lijken op te duiken. Misschien markeren die momenten van enthousiasme van degeen die het ooit legde. Als je 
Piazza della Vittoria, Lodi (foto's vd auteur).













erover loopt voelt het als de bak met knikkers waarin je je voetzolen thuis oefent. Fietsen gaat haast niet, maar er lopen enkele baantjes van gladde tegels tussen waarover je dwars of diagonaal het plein kunt nemen. Onder de portieken van de aanliggende panden zijn er terrasjes vanwaaruit je alles comfortabel kunt bekijken, ook als het regent of, zoals nu, smoorheet is. Je kunt er de pasteltinten bewonderen van de huizen aan de andere zijden: beige, licht okergeel, hemelsblauw en één enkele in een stevige bruine tint.

Het front van de kerk toont sporen van verschillende stijlperioden. De oorspronkelijke opzet lijkt romaans, maar de gotiek voegde er twee raampjes naar de toenmalige smaak in, alsmede een feestelijk omkranst roosvenster. Dichterbij, onder het baldakijn, staan Adam en Eva tegen de deuren aangedrongen over hun zonde na te denken. Meer dan die ene hebben ze niet begaan. Ik waag het te stellen dat de straf die zij - en wij - volgens de Schriften ervoor kregen onrechtvaardig was, want zij waren niet van te voren ingelicht over wat erop stónd. De eer van het publiek maken van misstap-straf tabellen komt toe aan de Mesopotamische koningen, van wie Hammurabi de bekendste is geworden, hoewel hij niet de eerste was.

Binnenin het kerkgebouw triomfeert de romaanse bouwwijze. Kruisgewelven, voorzien van dunne ribben als versterking danwel versiering dekken alle beuken. Maar hé, ook hier binnen zijn enkele raampjes van de galerij vervangen door spitsboogvenstertjes. Tegenover de crypte bevindt zich een tweede, nog diepere ondergrondse ruimte. In witte, zwart afgezette kisten liggen daar vele monseigneurs bijgezet. Zo te zien is er nog plaats voor vele andere. Alleen het kleine, rode schijnsel van een godslampje breekt de zwartwitte strengheid.











Een sterke antithese tot dit sobere kerkinterieur bevindt zich op slechts honderd meter in een zijstraat: het Santuario dell' Incoronata, van buiten haast onzichtbaar ingebed tussen andere gebouwen. Als je van barok-achtige overvloed van decoratie houdt, vooral in goud op een diepblauwe achtergrond, dan kun je binnen je hart ophalen; "-achtig", want het is voornamelijk tijdens de vroege Renaissance gemaakt. Het bewijst dat ze ook in die tijd overdaad konden scheppen als er genoeg geld voor was. En veel geld wás er, geschonken door de burgerij. Waarom ze zo gul waren? De geschiedenis verhaalt dat een Maria-verschijning de aanleiding tot de bouw was, én dat het staat op de plaats waar eerst een huis van plezier was. Meest trekken burgers graag de buidel om hun stad te verrijken met een opvallend bouwwerk dat hun gezamenlijke status verhoogt. Hier werd misschien het feit van die verschijning al voldoende geacht tot meerdere eer van de gemeente en was men er vooral op uit om dat te vieren. Wellicht voelden velen de keus van de locatie als een boetedoening voor hun geheime, kleine zonden. Anderzijds zal de grond goedkoop geweest zijn, want wie wil er nu een eigen huis of een winkel hebben op de plaats waar eerst een bordeel was. Een heilige, echter, wordt door het contact met het verbodene alleen maar nog heiliger.


Santuario dell' Incoronata, Lodi. (foto's vd auteur)


Een leerling van de beroemde Bramante ontwierp het heiligdom: Giovanni Battagio. De achthoekige vorm staat gewoonlijk symbool voor volmaaktheid - zie de gelijke vorm van de doopkapellen van Parma en Cremona - maar verwijst in dit geval specifiek naar de achtkantige kroon van de verschijning. Vijftien km verderop, in Crema, bouwde Battagio een vergelijkbaar sanctuarium: de Basilica di Santa Maria della Croce. Van binnen ook achthoekig. Doordat het in een open ruimte staat is het ontwerp beter te zien: een typisch Renaissance voorbeeld van een centrale bouw, zó weggelopen uit de schetsboeken van Leonardo da Vinci.

Kerken en Kathedralen.

De kerk van San Savino in Piacenza is in verschillende opzichten bijzonder. Zo is hij bijvoorbeeld tijdens de zware aardbeving van 1117, die bijna alle kathedralen van de zuidelijke Po-vlakte fataal werd, overeind gebleven. In 1107 ingewijd, was hij op dat moment waarschijnlijk voltooid, hetgeen tot zijn stabiliteit zal hebben bijgedragen. Misschien was hij ook wat zorgvuldiger gebouwd dan sommige andere (1).

Het ontwerp is puur romaans en overzichtelijk: drie parallelle beuken, de middelste hoger en dubbel zo breed. Alles gedekt met soliede kruisgewelven. 


Chiesa di San Savino;
plattegrond.
X = kruisgewelf.
Onder het koor een crypte. Dat de kerk er nog steeds zo uitziet komt doordat in het begin van de 20ste eeuw alle uitbouwen en barokke tierelantijnen rigoreus verwijderd zijn.


Interieur; foto's vd auteur.





















Als je er binnengaat is het eerste dat opvalt de vloer. Mozaïek in afwisselend witte en zwarte banen, hoekig gegolfd, aan alle kanten. Dat er water mee bedoeld wordt bevestigen de vele visfiguurtjes die erin gevoegd zijn. Achter in de kerk hangt een ingelijste foto waarop de golven in één blik te overzien zijn. Een nog grotere verrassing bieden de fijner uitgevoerde vloermozaïeken voor het altaar en in de crypte. Originele uitbeeldingen van de vier aardse deugden, de maanden, de tekenen van de dierenriem. Deze werken zijn even oud als de kerk. Of die van het schip ook zo oud zijn heb ik niet kunnen achterhalen. In ieder geval lijken de hoekige golven van de laatste geïnspireerd op de dunnere versie die de achtergrond van de cryptemozaïeken vormen. En waaratje, als je goed zoekt zwemmen daar ook visjes (en sirenen).


de crypte (foto vd auteur)
In het begin van de 12de eeuw was men in de Po-vlakte druk bezig met het bouwen van nieuwe kathedralen. Helaas, de zware aardbeving van 1117 deed veel daarvan te niet. Toch niet alles: de kathedraal in aanbouw in Modena bleef overeind. Begrijpelijk dat, toen men over de grootste schrik heen was en weer wilde gaan bouwen, de architecten naar Modena trokken om te zien hoe bouwmeester Lanfranco daar te werk ging. Zijn methode bestond vooral uit meer degelijkheid, niet zuinig met baksteen, een product dat in de Po-vlakte ruimschoots gemaakt werd.

Bij de navolging van Lanfrance hadden die van Piacenza en Cremona een probleem extra: er moest een transept (dwarsschip) komen en Modena had er geen. De kleinere, oude kerk van Piacenza was volledig ingestort; in Cremona was men in 1107 al begonnen aan een concept mét dwarsschip. Wellicht was er al enig werk gedaan aan de bouw daarvan en de verbinding met het hoofdwerk. Ik weet niet precies hoe dat gepland was; nog in 1129 werden er wijzigingen in de plannen gemaakt (2). In Piacenza werd aan het nieuwe gebouw gewerkt tussen 1122 en 1160, en toen stond bijna alles er, behalve de middenbeuk van het hoofdschip (Ponzini, loc. cit.).

De voornaamste overeenkomst tussen beide projecten was dat het transept drie beuken kreeg waarbij de middelste even breed was als de buitenste twee (3). De oplossingen om de schepen met elkaar te verbinden waren echter zeer verschillend, al verraden ze beide de vermijding van het gevaar van een nieuwe instorting. In Piacenza koos de architect ervoor alle drie beuken even hoog te maken, maar geen van drieën zo hoog als het midden van het hoofdschip. Vooral omdat deze transepten waarschijnlijk gebouwd werden voordat ze met het geheel verbonden werden - het gewelf van het hoofdschip was immers nog niet klaar - werden op die manier risico's vermeden. De transepten komen daardoor op een vreemde manier in de hoofdruimte uit; met drie bogen, alle even hoog en hoger dan de arcade van het hoofdschip (maar onder het gewelf daarvan). Daardoor lijkt het vanuit de dwarsschepen een beetje of je door tralies naar de middenruimte kijkt.


Piacenza elevatie (opstand) kathedraal.
openingen (3) van dwarsschip vanuit het midden.
(foto's vd auteur).














In Cremona daarentegen, bouwde men vol vertrouwen een middenbeuk die even hoog was - en boven de zijbeuken uittorende - als die van het hoofdschip. De zijbeuken echter werden even laag gehouden als die van het hoofdschip en net als die versterkt met een passend kruisgewelf. Echter, alsof men vond dat dit niet stevig genoeg oogde, trok men de zijbeukgewelven door, niet alleen van zijbeuk naar zijbeuk-om-de-hoek, maar ook nog één in de toegang tot de middenbeuk van het transept. Aldus lijkt het alsof de transepten bij nader inzien toch maar hálf-open naar de hoofdkerk gemaakt zijn. De galerij die op deze kruisgewelven rust is prachtig versierd met schilderijen, waardoor het op het eerste gezicht niet makkelijk is om de eigenlijke structuur te ontwaren.


Cremona kathedraal.
Kijken naar het transept vanuit het hoofdschip,
onder een galerij door.

Kijken naar het transept vanuit het
tegenoverliggende transept:
onder twee galerijen door.
(foto's vd auteur)
















(Koenraad Kortmulder, Juli 2019).

(1) Domenico Ponzini 1988. Il Duomo di Piacenza. Edizioni TEP.
(2) Jessica Ferrari 2019. In: Francesco Frangi & Marco Tanzi,  Il Duomo di Cremona. Milano, Officina Libraria.
(3) Dat is dus anders dan bij het hoofdschip gebruikelijk was; daar was de middenbeuk dubbel zo breed. Al in de romaanse tijd en lang daarna werd het standaard dat ook bij de transepten zo te doen. Op de ontmoetingspunten tussen de zuilenrijen van de schepen ontstaat dan een vierkant van zuilen die men veel zwaarder uitvoerde, de zogenaamde viering. Tussen die vier zuilen bouwde men dan vier hoge, wijde bogen, en dat geheel kon gemakkelijk een koepel of kruisingstoren torsen en was tegelijk heel doorzichtig. Waarschijnlijk durfde men in Piacenza en Cremona zo'n brede constructie niet aan na de ervaringen met de aardbeving.


maandag 14 januari 2019

Zojuist verschenen; new paper published:

Koenraad Kortmulder (2018). An analysis of the full song of five free-living urban European Blackbirds (Turdus merula); a network approach. https://doi.org/10.1101/505206.
http://biorxiv.org/cgi/content/short/505206v1

woensdag 5 september 2018

On Tangentiality in the behaviour of animals and humans; an essay in instalments I-VII. (Over Tangentialiteit in gedrag van dieren en mensen; een essai in afleveringen)

As of to-day the instalments I - VI of this essay on this blog are accompanied by summaries in English. The summaries of I and II are printed at the end of instalment II; all others at the end of the appropriate instalments.

Viz.

I    Lateral display; 4 January 2013
II   Courtship; 16 March 2013
III. 'Tederheid' and 'teder' behaviour (tenderness); 19 March 2013
IV. Hedonic and Agonic; 28 March 2013
V.  The cognition of Congener; 19 April 2013
VI. Tension and Symmetry; 25 April 2013
VII. Literature Cited; 29 April 2013       

donderdag 5 juli 2018

Veneto 2018.

Alles is bij nader toezien altijd ingewikkelder dan je eerst dacht. In de wetenschap heet dat de Baard van Nelson, die altijd weer ontsnapt aan het scheermes van Ockham. Wie daar verder over wil nadenken kan ik naar mijn artikel van 2 december 2012 op dit blog verwijzen, maar je kunt nu misschien maar beter gewoon doorlezen.

Deze juni-maand was ik voor twee weken in Padua in Noord-Italië. Van daaruit kun je heel wat andere beroemde steden gemakkelijk per trein bereiken: Verona, Bologna, Trento en natuurlijk Venetië, alsmede alles wat daartussen ligt. Vandaar dat ik er graag heen ga. Het leukste vind ik het ontdekken van plaatsen waar ik nog nooit geweest ben. Dat werden deze keer Thiene, Schio en Belluno, alle drie gelegen tussen voetheuvels van de Alpen, maar in essentie nog op vlakke dalbodems. 
Thiene, Villa (Castello) Da Porto Colleoni-Thiene
(foto auteur)



Thiene, keramische versiering (foto auteur)


Schio (foto auteur)
Schio (foto auteur)
Schio (foto auteur)
Belluno (foto auteur)
Belluno, resten van beschildering (foto auteur)
Belluno, geschilderde raamdecoratie (foto auteur)
Belluno, beschildering (foto auteur)

Hernieuwde kennismaking met een stadje dat ik heel lang geleden bezocht heb is echter ook niet mis. Bij zowel Trento als Mantua was dat 10 à 20 jaar geleden, en zoals ik al eens uitgelegd heb zijn ze voor mij dan zo goed als nieuw, niet omdat ik een slecht geheugen zou hebben, maar doordat ik nu op heel andere dingen let. Tóen had ik vooral oog voor architectuur, en tegenwoordig ben ik gespitst op de kleuren en eventuele fresco's op de huizengevels. Hoe ziend/blind mij dat maakt bleek wel in Trento. Ik had me voorgenomen er op zoek te gaan naar gevelschilderingen anders dan die op de paleizen aan het domplein, de enige die ik me herinnerde. Toen ik er deze keer aankwam bleek ik helemaal niet te hoeven zoeken. Zodra je het plaatsje vanaf het station binnengaat loop je tegen de beschilderde paleizen op.


Trento, Palazzo Geremia (foto auteur)

Trento, Palazzo Geremia (foto auteur)

Trento, Palazzo Quetta Alberto-Colico (foto auteur)

Trento, Palazzo Quetta Alberto-Colico (foto auteur)


Trento, Palazzo Saracini Cresseri (foto auteur)


Trento, Case Cazuffi-Rella (foto auteur)

Trento, Palazzo Balduini (foto auteur)


Met die ontdekking was ik heel blij, omdat me in één keer duidelijk werd dat Trento niet voor niets de bijnaam 'urbs picta' - de beschilderde stad - draagt, maar ook omdat ik gelijk weer overtuigd was van mijn stelling dat gevelschilderijen in Noord-Italië vooral bij de (alpiene)  bergstreken horen. Ik schreef al eens een essay op dit blog - 19 juli 2016 - over dat onderwerp. Daarin vertelde ik dat in de streek rond Bologna veel zware aardkleuren gebruikt worden om de huizen op te sieren. Ten Noorden daarvan, voorbij de Po, overwegen de zachtere kleurtjes, en in plaatsen die tegen de Alpen aan liggen zie je allerlei geschilderde scènes, of non-figuratieve versieringen, op de gevels.

Die indeling presenteerde ik misschien te duidelijk, al noemde ik ook variatie en uitzonderingen. Aan grenzen wordt altijd gesmokkeld, zei mijn vader al, en van die regel heb ik in mijn leven niet vaak afwijkingen gevonden. Daaraan moest ik denken toen ik deze reis ook in Mantua wat beschilderingen aantrof - onverwacht ver naar het Zuiden. En waaratje, zelfs Padua, dat ik intussen aardig dacht te kennen, bleek niet geheel zonder te zijn! Omgekeerd toonden de genoemde stadjes Thiene, Schio en Belluno vooral egale muren, lekker vers in de kleurige verf, terwijl hun ligging vlak onder de bergen andere verwachtingen had kunnen wekken. Het zijn alle drie welvarende plaatsen, die veel toeristen trekken en die er belang bij hebben dat de stad er netjes uitziet. Enige aanwijzingen van het verleden vond ik wel: sporen van schilderingen die door de verf heen te zien waren en in Belluno zelfs nog fraaie, bestaande exemplaren in de oudere buurt (Via Mezzaterra)! Wellicht waren Thiene, Schio en Belluno, net als Portogruaro (zie het eerdere essay), vroeger meer van schilderingen voorzien, maar daar is dan bitter weinig meer van te zien, en speculaties ondersteunen geen theorie. Vandaar dat ik twijfelde.


Mantova (foto auteur)

Mantova (foto auteur)
Vanwege de twijfels was het bezoek aan Trento zo'n geweldige opluchting voor me: de stad is zo vol van beschilderde paleizen dat het straatbeeld erdoor bepaald wordt, en hij ligt evident tussen de bergen. Aldus zijn er nu drie steden die de noordelijke afkomst van de beschilderingen bevestigen: Trento, Feltre en Pordenone. Ze zijn er alle drie zodanig vol van dat geen andere plaats ook maar in de buurt komt.

De manier waarop men met die oude schilderingen omgaat verschilt sterk per plaats. Werden ze in Portogruaro meest overgeschilderd - maar vaak kon je ze onder de verflaag nog zien zitten - in Pordenone werden ze gekoesterd en zelfs weer onder oude kalklagen vandaan geprepareerd! Misschien is de eenvoudigste hypothese op dit moment dat het beschilderen van gevels vooral bij de noordelijke streken hoort, maar dat de grens ervan vroeger meer naar het Zuiden - inclusief Mantua en Padua - gelegen heeft dan ik oorspronkelijk vermoedde. 

De redenen waaróm de schilderingen behouden worden verschillen mijns inziens nogal tussen de drie plaatsen. Trento is de trotse hoofdstad van de autonome regio's Trentino-Alto Adige en Zuid-Tirol en zal daarom wel hechten aan de tradities van deze nogal duits-georiënteerde streken. Bovendien herinneren veel van de beschilderde paleizen aan het concilie waarvan de stad van 1545 tot 1563 gastheer mocht zijn. Voor die gelegenheid werd er heel wat opgetut. Feltre ligt er in de regio Veneto wat verloren bij. De grote paleizen waaruit het voornamelijk bestaat staan hier en daar te koop en waarschijnlijk aan de straatstenen niet kwijt te raken - een spookstad in wording. Niemand die de middelen heeft of het nut inziet van het restaureren danwel wegschilderen. Ook Pordenone ligt in een autonome regio: Friuli-Venezia Giulia; wellicht heeft dat er iets mee te maken.


Padua, Via Belzoni (foto auteur)
Padua, Via Belzoni (foto auteur)

Een toevallige gebeurtenis maakte me deze reis nog eens bewust dat wat ik waarneem een momentopname is, een soort Platland ten opzichte van de historie. Weliswaar schijnt iets van het verleden soms door de verf heen of is het niet helemaal weggeschilderd, maar waar het weg is is het weg. Misschien is in het geheugen van de mensen die er sinds lang wonen iets meer bewaard gebleven. Inderdaad vroeg ik hier en daar aan inwoners of er vroeger meer of minder beschilderde gevels waren, maar dat leverde me weinig nieuws op. Tot die ene bar-dame in mijn hotel me ongevraagd vertelde dat in Padua in het na-oorlogse verleden veel kleine huizen afgebroken zijn en vervangen door hogere appartementen-complexen, en dat juist die kleine huizen vaak beschilderd waren! Op de foto een voorbeeld van zo'n klein huis dat voor de sloop gespaard bleef (Via Belzoni). Zo zouden er in Padua dus (veel) meer geweest zijn, en ik heb geen reden om dergelijke omwentelingen in Mantua of Verona uit te sluiten. Dat gaf dus onverwacht steun aan de veronderstelling dat de traditie van gevel-schilderingen ooit verder naar het Zuiden gereikt heeft; bijvoorbeeld tot de Po. Blijft staan dat ze dichter bij de Alpen op z'n minst beter geconserveerd zijn.

Beste Lezer, mocht je meer van beelden dan van woorden houden, dan gaf dit artikel me toch de gelegenheid je wat nieuwe foto's te laten zien.



zaterdag 28 oktober 2017

Some reminiscenses of Keith Nelson (1934-2017), a great ethologist.

Until recently, the Leiden ethology department was housed  in a tall building seven stories high. On top was the tropical aquarium. When - a long time ago, say 1964 - on Sunday afternoons I went all the way up in the elevator to feed the fishes, a thin, spectacled face with a neat chin-tuft might show and stare at me through the narrow window of the door at the fifth. Keith Nelson preferred the weekends for his experiments with sticklebacks, because then there were less noises and vibrations that might disturb his experimental fish. This arrangement had the additional advantage that he was free in the middle of the week when everybody was at work. He loved to take his car, accompanied by Nancy and their baby daughter Johanna, to explore and criticise The Netherlands.


Keith Nelson in Leiden c. 1964. (Photo by Nancy Nelson)


His driving style was sort of restless: steer, brake, accelerate as an uninterrupted series of actions. Simultaneously, within the privacy of the car, he gave vent to all his little irritations: "you ugly milkboor, get out of my way" or "dirty old man, I'll flatten you!"

His mind worked similarly, springy, keen and sharp, seemingly chaotic but at the same time cutting a straight path for himself through the jungle of other people's objections or current theory. One couldn't fail to appreciate a touch of genius in him. His experiments with the stickleback's 'creeping-through' behaviour caused a minor revolution in the study of this animal's behaviour (1). So far, 'creeping-through-the-nest' - an action that the male stickleback performs from time to time in order to keep the tunnel through his nest open - had been considered as a product of the spontaneous fluctuations of aggressive and sexual motivations. The 'creeping-through' act marks, in that view, the moment when the sexual motivation overcomes the aggressive. Immediately following the act, the male is super eager to court a female; so much so that he will respond to things that have only a remote resemblance to a female stickleback such as a snail or air bubbles rising to the surface.

Individual 'creeping-throughs' are separated in time in the order of hours. As to what determines the length of the interval our specialists (2)  knew that the next 'ct' is delayed in the presence of a conspecific male (enhancing aggression), or expedited by a female. Fair enough. Keith boldly reversed the argument and hypothesised that 'ct' had its own, autonomous cycle with an internal clock that reigned the dynamics of the sexual and aggressive motivations instead of being its result.

In order to test his hypothesis, he designed a simple model with two factors: an Excitation (E) and a Threshold (T), both of which decrease with mathematical precision as long as they are not stimulated. Where the curves of the two processes cross, the fish creeps-through and T is elevated to a fixed value. With this model he could predict the moment of the next 'ct' one and a half to two hours ahead with a deviation of a mere 1 or 2 minutes; an unheard-of precision for a behavioural process! Conducting the experiment was not difficult, but it took a lot of patience. One had to measure the duration of two consecutive 'ct' intervals. The model then predicted the length of the third. You may now understand why Keith worked in the quiet hours: a minimum of stimulation that might influence the course of his E's and T's. His staring through the elevator window wasn't just curiosity but an expression of irritation that somebody dared to come along. To see your experiment being spoilt when you have already invested some hours in it can be very frustrating! Inclined to "flatten" anybody who did!

Keith's model perfectly fitted the behaviour of the stickleback, and not only that. Similar models describe the circadian sleep cycles of animals and humans and sand bathing in chickens (3). Keith doesn't always get the credit he deserves.

Apart from sticklebacks, he observed some other animals, for instance the Song Thrushes in the Leidse Hout. Early morning he would be ready on the spot with his recording gear to catch the singing of the birds. It resulted in a splendid paper in the Festschrift for Piet Sevenster in 1990 (see note nr 6).

Prior to his coming to Leiden, Keith had received his PhD from the University of California at Berkeley. His thesis comprised an analysis of the behaviour of the Glandulocaudinae (4) (tail with glands), a subdivision with relatively few species of the Characidae, a freshwater fish family with more than a thousand, perhaps thousands of species. "Real fishes", as Keith characterised them, along with other large families such as Cyprinids or Poecilids, and in contrast to such curio's as Sea-horses, Sticklebacks or Mud-skippers.

Modesty was not among Keith's virtues. Sometimes he wore a 'deerstalker' à la Sherlock Holmes, thus implying that others were like Watson, Lestrade or even Athelney Jones. Great sense of humour, though. Laughed a lot about all those diminutives with which Dutch language abounds and when he first had heard the word 'eventjes' he nearly died of it. Together with Ilan Golani and Wolfgang Schleidt he played many a prank at the IEC (5) of Stockholm in 1965 - but that is another story.

He coined the phrase "Dutch Drive Mysticism" to jeer at the Leiden ethologists, because they valued and thought in terms of Lorenz's and Tinbergen's theories of motivation. To be sure, they weren't exceptional; pick any handbook on ethology of the time and you'll find at least a chapter on motivation and 'drive' as well as one on conflict behaviour (when two motivations interact). Keith's PhD thesis broke new soil by introducing stochastic processes in behaviour, that is when behaviour elements follow one another in a perfectly random order. The chance that an element occurs at a given moment is then dependent only on its general probability of occurrence, and not on preceding elements. Such a state of affairs does not tally with the classical notion of underlying motivations that fluctuate slowly relative to the visible succession of behaviour elements; and so Keith opposed the classical view.

In particular, his criticism was aimed at a common error of thought. Suppose one wants to test the hypothesis that aggressive (or sexual, escape or parental) motivation plays a role in behaviour acts A, B or C. Then "what is the best parameter of aggression (mutatis mutandis)?" was an often-heard question. It hid an erroneous assumption, though, that 'aggression' was a visible and tangible entity, the existence of which had been scientifically established; whereas it was really a theoretical construct to explain a collection of facts. As if the aggressive drive is something one may pick up and measure length, weight or activity of, the equivalent of an upper arm bone, a sweat gland or a stomach. Even in these anatomical examples, however, differences between parameters are of a qualitative nature rather than 'better' or 'best'.

And after Leiden? One might have expected a successful career; that man had the capabilities to alter behavioural science, but it went differently. After some years at the University of Maryland and San Francisco State University, he spent a sabbatical at Tel-Aviv University in 1971. There he interacted with many colleagues, particularly with Ilan Golani; and there he must have done most of the necessary computer work for his great analyses of the song of the European Song Thrush for Sevenster's Festschrift (6) and another pioneering study involving the song of Swainson's Thrush published in 1973 (7). Ilan Golani recently recalled how Keith would spread the prints of all the song types on the floor and stand upon a chair to get a good overview.

He worked at the Bodega Marine Laboratory, Bodega Bay, California from c. 1974 to 1992 and published a fair number of articles on the genetics and evolution of various commercially important organisms; not the epoch-making quality of his behaviour papers, but staunch good quality. Many a young revolutionary ends up as an old master, and Keith seemed to follow the trajectory. However, it looks like the revolutionary blood remained. After retirement in 1993 he devoted his life to the Arts, creating colour etchings. Some pictures of them may be found on facebook:
https://www.facebook.com/KeithNelsonArtist 


The Grandchilds with Keith and Nancy c. 2008
(Photo by Hanna Nelson) 

Notes 

(1) Nelson, K. 1965. After-effects of courtship in the male three-spined stickleback. Zeitschr.f.Vergl.Physiol. 50: 569-97.

(2) Iersel, J.J.A. van 1953. An analysis of the parental behaviour of the male Three-spined Stickleback. Behaviour Suppl. 3: 1-159.
Sevenster, P. 1961. A causal analysis of a displacement activity (Fanning in Gasterosteus aculeatus L.)  Behaviour Supple. 9: 1-170.

(3) Daan, S., D.G.M. Beersma & A.A. Borbély 1984. Timing of human sleep: recovery process gated by a circadian pacemaker. Am. J. Physiol. R161-R178.
Hogan, J.A. 1997. Energy models of motivation: a reconsideration. Applied Animal Behaviour Science 53: 89-105.

(4) Nelson, K. 1964a Behaviouir and morphology in Glandulocaudine fishes (Ostariophysi, Characidae). Univ. of California Publ. Zoology. 75/2: 59-152.

(5) International Ethological Conference.

(6) Nelson, K. 1990. Hierarchical organization, revisited. Neth. J. Zool. 40(4): 585-616.

(7) Nelson, K. 1973. Does the holistic study of behavior have a future? In: P.P.G. Bateson & P.H. Klopfer (eds.) Perspedtives in Ethology. Plenum Press, New York and London.


maandag 3 juli 2017

Net verschenen: Koenraad Kortmulder & Yuri Robbers: Barbelenverhalen deel 2; Ethologie in Evolutie. Leiden, Lugdunum.

Het is alweer enkele jaren geleden dat Koenraad Kortmulder en Yuri Robbers deel 1 publiceerden van 'Barbelenverhalen; vissen in tropisch water', een levendig en prettig leesbaar verslag van een onderzoek in aquarium en veld aan Barbelen, een groep van zoetwatervissen die bij aquariumhouders heel populair zijn, zoals purperkoppen, sumatranen, prachtbarbelen, enzovoort. Zo bekend als ze zijn, zo weinig was er vóór dit onderzoek bekend over hun leven in natuurlijke omgeving in tropisch Azië, onder andere in Sri Lanka, India en zuidoost Azië. 

In deel 1 verhaalden de auteurs over het onderzoek aan het gedrag van deze dieren in het aquarium van de Leidse Zoölogie aan de Kaiserstraat, en het veldwerk in Sri Lanka, India en Malaysia dat daarop volgde.

Deel 2 gaat over de verdere onderzoekingen die door de gewonnen ervaringen in het veld geïnspireerd werden. We zijn weer terug boven in de Toren aan de Kaiserstraat waar tientallen aquaria onderdak bieden aan ruim 20 soorten barbelen en waar onder het geruis van klimaatregelaar en filters waarnemingen verricht werden door een hele reeks studenten en de eerste auteur. De auteurs weten met hun rustig wandelende stijl ook ingewikkelde zaken eenvoudig uit te leggen. De tabellen met precieze gegevens staan er ook in, maar die zijn samengebracht in een aantal appendixen achter in het boek. Zodoende kan ook de buitenstaander het hoofdverhaal zonder problemen lezen.
Laat u betoveren door de kleurrijke beweeglijke wereld onder water van de barbelen en neem kennis van de verschillen tussen ouderwetse, na-oorlogse ethologie en een modernere aanpak.

Zo heet het:

K.Kortmulder & Y. Robbers 2017. Barbelenverhalen deel 2; Ethologie in Evolutie. Leiden, Lugdunum.

Zo is het te verkrijgen:

bij de bekende websites als Bol.com of Amazon, of direct bij de auteurs: K.Kortmulder, Hugo de Grootstraat 20, 2311 XL Leiden, 071 566 39 70, k.kortmulder@kpnplanet.nl 

En wat kost dat wel niet?

slechts € 10 bij bovengenoemd adres, of ongeveer die prijs bij de genoemde websites.



vrijdag 30 juni 2017

Napels 2017.

Als je de gepolijste treden van het hotel afgaat, kom je in de straat die, ondanks zijn welluidende italiaanse naam, tamelijk morsig is en waarvan het plaveisel her en der opgelapt is of weer opnieuw versleten. Oppassen waar je je voeten neerzet en zorgen dat er uit je zakken niks te jatten valt. Op de stoep links woont een spichtige vrouw die uit de belendende afvalcontainers van alles vist dat volgens haar nog niet weggegooid had hoeven worden: plastic tassen, blikken trommels, kinderknuffels, halflege flesjes. Op het lage betonnen randje onderaan grote, dichtgeplakte winkelruiten heeft ze haar collectie enigszins ordelijk op- en naast elkaar gestapeld. Als ze niet over de ene of de andere afvalbak hangt zit ze bij haar schatten te rusten; een keer zie ik haar een armbandje verkopen aan een voorbijgangster. Op een dag is ze weg, en haar verzameling ook; het stoepje aangeveegd. De volgende dag zitten daar alweer een paar rugzaktoeristen op. Op welke gronden zou ze opgepakt zijn?

Ik loop hier met m'n handpalmen naar mijn broekzakken gekeerd, een beetje als in een Western. Alleen geldt dat hier het alert zijn op mogelijke zakkenrollers. Het staat ook wat weerbaarder en daar put ik moed uit. Vijftig meter verder is er een zebra-pad. Het maakt niet veel uit of je daar gebruik van maakt, want als voetganger ben je hier toch al tamelijk veilig, althans voor auto's. Zodra je gedecideerd te kennen geeft dat je over gaat steken, stoppen alle auto's groot en klein voor je, of je nu op een zebra loopt of helemaal niet. Alleen motorrijders en scooters stoppen niet voor een voetganger. Die tweewielers wringen zich tussen twee rijen auto's links en twee rechts door en houden daarbij zo weinig ruimte over dat ze geen voet aan de grond kunnen zetten. Ze zullen je niet gauw aanrijden, maar schelden kunnen ze wel.


Via Lucci (foto van de schrijver)

Het grote Piazza Garibaldi vóór het station is geweldig opgeknapt. Jarenlang werd het gedomineerd door hekken die de publieke ruimte reduceerden tot een smal tracée met verzakt plaveisel langs de kanten, tot wanhoop van de daar gevestigde horeca. Nu zijn de schuttingen weg. Behalve een nieuwe metrolijn is er een moderne winkelgalerij gecreëerd op een meter of tien diepte, slechts luchtig overdekt door een smaakvol stelsel van metalen pijlers en roosters dat ver boven het plein uitsteekt en zowel het licht filtert als interessante lichtvlakeffecten heeft. Doordat de open winkels met klimaatmachines gekoeld worden heeft de hele galerij bij de heersende zomerse temperaturen een aangename frisheid. Terrasjes maken er een oase van. Ook in het station zelf is ver de grond in gebouwd. Je kunt trouwens ondergronds van de ene naar de andere ruimte komen. Op pleinniveau zijn de terrassen aan de zuidzijde weer mooi geworden en volop in bedrijf.


Galleria Commerciale Napels
(foto's van de schrijver)

Nu we toch bij het station zijn: waar kun je allemaal heen? Bijvoorbeeld naar prachtige plaatsen en landschappen zoals Sorrento, Salerno en Amalfi. Ik heb daar al eens over geschreven; tijd dt u het zelf eens gaat zien of er bij dezen aangenaam aan terugdenkt.



Amalfi, de kathedraal (onder)
en de kruisgang Chiostro del Paradiso
Salerno, mozaïek in de dom
Salerno
















Sorrento
(foto's van de schrijver)

Nieuw voor mij waren plaatsen ten Noorden van de stad zoals Capua, Caserta alsmede de vroegere locaties van deze stadjes, respectievelijk Santa Maria Capua Vetere en Caserta Vecchia. De regio is vol oude historie. Om Capua begon voor de Romeinen hun eerste oorlog met de Samnieten, een boerenvolk van de onvruchtbare bergstreken dat net als de eerstgenoemden op expansie belust was, in hun geval vooral naar de vruchtbaarder gronden in de vlakte. De oorspronkelijk Etruskische stad was in die tijd al geïnfiltreerd en in feite overgenomen door Samnieten. Maar de ene Samniet was de andere niet en de stadsbewoners voelden zich bedreigd door hen die nog in het bergland woonden. Een verdedigingsverdrag met Rome leidde echter juist tot oorlog, de eerste van de drie die tenslotte door de Romeinen gewonnen werden. 
In Capua Vetere bevindt zich ook een klein museum met voorwerpen uit de Samnitische tijd, een amphitheater en een ondergronds Mithraeum. In een Mithraeum werden geheime rituelen gevierd ter ere van de Perzische (1) god/held Mithras. In de vroege eeuwen van onze jaartelling was deze eredienst wijd verbreid in het romeinse rijk en een geduchte concurrent van het jonge christendom. In het Mithraeum van Capua Vetere kan men in een muurschildering zien hoe Mithras een witte stier doodt, en uit de onderdelen daarvan diverse typen mensen doet ontstaan. Een scheppingsverhaal dus. Het lidmaatschap van deze religie was populair, vooral onder minderwel-gestelden, omdat het een beter hiernamaals beloofde dan de officiële romeinse godendienst.


(foto's van de schrijver)

Capua


















Capua Vetere, amphitheater en museumstuk
(foto's van de schrijver)

De tijd heeft intussen niet stilgestaan. In de Middeleeuwen werden in deze streek grote kerken gebouwd. Een van de interessantste is die van Sant' Angelo in Formis, een dorpje op een paar kilometer van het tegenwoordige Capua. Er gaat een locaal treintje heen vanuit Caserta, twee haltes voorbij Santa Maria Capua Vetere. Het personeel van deze plaatselijke lijnen is immer vriendelijker en behulpzamer dan dat van Trenitalia, de italiaanse NS. Op het perron van Sant' Angelo deden de conducteur en de stationschef samen moeite om me uit te leggen met welke treinen ik weer terug kon, en de weg te wijzen naar de beroemde kerk. Bij terugkeer van mijn wandeling vroeg de laatste hoe het geweest was.
Nu wist hij niet dat het gebouw zich in grootschalige restauratie bevond en niet bezichtigd kon worden - waaruit je kunt afleiden dat er niet vaak iemand naar komt kijken. Op driekwart van de afstand riep een motorrijder me al toe dat de kerk toe was. Bereid om genoegen te nemen met de aanblikken van de buitenkant - de reisgids sprak bijvoorbeeld van een arabisch portaal - zette ik dóór op de weg die, aanvankelijk vlak, almaar steiler omhoogliep. Toen ik tenslotte op het hoogste punt kwam, werd mijn verdere voortgang verhinderd door hekken dwars over de weg, ondoorzichtig gemaakt met aangehechte zeilen. Er waren lichtpunten. In Italië voorziet men dergelijke afrasteringen vrijwel altijd van afbeeldingen van hetgeen aan het oog onttrokken is. Zo waren ook hier de zeilen rijk verlucht met foto's van ex- zowel als interieur van de oude, uit 1077 stammende, basiliek. 
Een bede tot twee bouwvakkers die zojuist met een enorme vrachtwagen het werk kwamen versterken was tevergeefs. Ik nam dus genoegen met het bekijken en fotograferen van de foto's, uiteindelijk toch tevreden omdat ik een goed idee gekregen had van hoe de kerk eruit zag, zowel de klassieke, romaanse bouwwijze als de beschildering - het nieuwe testament in regels boven elkaar langs de wanden van het middenschip, een ontzaginboezemende Christus Pantokratôr in de apsis, een laatste oordeel op de achterwand én natuurlijk het arabisch geïnspireerde voorportaal - met een blij gevoel dat zoiets moois hier na bijna 1000 jaar nog stond en dat er blijkbaar goed voor gezorgd werd.














In tegenstelling tot de weg van het station, lag de ruimte tussen de hoge, losstaande poort en de hekken in de schaduw en een muur-ondersteunende brok steen bood een geriefelijke zitplaats, zodat ik ruim de tijd kon nemen om te bekomen van de wandeling en het wél-geopenbaarde in me op te nemen. 
Een jongen van een jaar of 16 komt van beneden fietsen en stopt bij me. Kennelijk om een praatje te maken met die zeldzame vreemdeling maar, zoals dat op die leeftijd gaat, zonder goed te weten wat hij moest zeggen. Ik neem dus maar het initiatief: of hij hier woont, Engels op school krijgt, aan het oefenen is voor de Giro... en beslis ook het moment van afscheid nemen.



Na de afdaling rust ik lekker uit op een terrasje in het dorp, waar de dorpsgek nog gewoon lid is van de gemeenschap. Ze plagen hem soms een beetje en lachen veel samen met hem.
Beste lezer, ik hoop dat je over een jaar of twee, drie ook eens gaat kijken naar die mooie basiliek als hij af is. Wel van te voren informeren natuurlijk of hij weer open is. Wie weet komen we elkaar nog tegen als ik weer eens in die buurt ben.

Men neme, zoals overal in Zuid-Italië, de tijd voor al deze verplaatsingen. In het Centraal Station van Napels komen de gewone treinen, de Metropolitana en de treintjes van de Circumvesuviana bij elkaar. Dat lijkt heel handig, maar in mijn ervaring is de bewegwijzering slecht, en personeel van concurrerende bedrijven werkt niet erg samen om de reiziger te helpen. Zo kunnen de aanwijzingen over bepaalde treinen die je krijgt uit de kaartjesautomaten - overal elders in italië de beste informatiebron - en/of de speciale informatiebalie wel eens afwijken van die van de conducteurs. Zodoende willen de laatsten, handig opgesteld bij het begin van het kop-perron, je wel eens de toegang weigeren tot een trein die de andere bronnen nu juist aanbevolen hebben. Zulke dingen kun je als frustratie ervaren, maar ze horen ook bij de zuidelijke charme van dit heerlijke land. Als je je niet tot haast laat verleiden kom je altijd wel waar je wezen wilt. De gebreken zitten puur in de informatievoorziening; alle treinen rijden stipt op tijd.

De lof die ik boven zong over het Piazza Garibaldi bleef beperkt tot de zuidelijke helft ervan. Gij lezer hebt dat misschien niet opgemerkt, maar ik deed het expres. Dat aan de andere helft nog gewerkt wordt is iets dat nog wel overgaat. De andere 'oever' echter heeft niet veel goeds te bieden. De hoge dichtheid van allerhande hangvolk wordt daar blijkbaar gedoogd. Toen ik met de terminalbus van het vliegveld kwam, bleek de halte vlakbij het plein omzwermd te zijn door leden van diezelfde populatie. Terwijl ik me nog oriënteerde en deze en gene figuur probeerde te ontwijken had iemands al ongemerkt mijn rugzak opengeritst en daaruit mijn schets- en schrijfboek gestolen. Eigen schuld natuurlijk - verwend door jaren in veiliger steden had ik de rugzak niet op de borst hangen en de ritsen niet gezekerd.
Pas een paarhonderd meter verder, midden voor het station, waarschuwde iemand me dat mijn rugtas openstond. Wat mij nog steeds verbaast is dat alleen dat boek weg was; de telefoon en de camera zaten er nog in. "Wat zijn dat voor dieven?" dacht ik; "of was het alleen een demonstratie van kunnen? Wie weet een zakkenrollersworkshop??" Hoe dan ook, het schetsboek waar nog niets in stond was spoedig vervangen en ik was voor de rest van m'n verblijf weer gewaarschuwd.

De laatste jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in de kleurengamma's die italiaanse stedelingen aan hun huizen geven. Mijn vorige bezoeken aan Napels vielen daarvóór, toen ik nog geen stukje geheugen voor dit onderwerp gereserveerd hield. Ook wat dat betreft had ik dus nog wat te ontdekken.






Napels; vooral zachte kleuren (foto's van de schrijver)
Als in alle grote steden is de variatie in kleuren groot, maar de Napolitanen - de omliggende kleinere plaatsen incluis - lijken een voorkeur te hebben voor tere tinten boven verzadigde, en vooral voor allerlei schakeringen en variaties van (licht)geel. In de stad vond ik slechts één straat die een duidelijk statement in kleur maakte; bepaald uitzonderlijk voor deze stad.




Vergeleken met Rome zijn de kleuren van Napels bescheiden.

Koenraad Kortmulder, 22 juni 2017.

(1) De perziche afkomst van Mithras wordt tegenwoordig apocrief geacht. Er zijn geen aanwijzingen van Mithraïsme elders dan in sommige delen van het Romeinse Rijk. Daar verschijnen de sporen van de eredienst plotseling in de eerste eeuw van onze jaartelling. Ze verdwijnen even abrupt in de vierde eeuw.