maandag 7 september 2026

Malta. Van de apostel Paulus tot Sint Jan de Doper.

Waarom Malta? Het was 2004, en we waren op zoek naar een kerstreis. Georganiseerd. Dan is de keuze meestal beperkt, als je tenminste niet in herhalingen wilt vervallen. Een jaar eerder waren we in de ruime omgeving van Napels geweest, ook maar een week, en vol met indrukken: Amalfi, Castellamare, Flegreïsche Velden, Paestum, noem maar op. Leek Malta daarmee vergeleken niet wat saai? Of was dat misschien juist mijn bedoeling na een tamelijk bezige zomer? En waarschijnlijk had ik al eens gelezen over de raadselachtige prehistorische tempels waar die eilanden rijk aan zijn. Die wilde ik wel eens zien.

Het was geen groepsreis: geen vaste reisleider en geen gezamenlijke uitjes, verblijf en maaltijden. Na aankomst kon je je keuze maken uit diverse dagexcursies onder leiding van Nederlands-sprekende gidsen. Nu ja, we gingen samen, wel zo gezellig, maar toen zij moest afhaken werd het toch een wat eenzame reis.

Geen nood; een week is wel genoeg om Malta te leren kennen. Alleen, die tempels; daar had ik er graag een paar meer van gezien. Het bleef bij één, Tarxien, dicht bij de hoofdstad Valletta. Na thuiskomst vond ik stomtoevallig bij De Slegte een zeer volledig boek over alle Maltezer tempels - structuur, bouw, tijdschaal - van Joachim von Freeden; en een paar jaar later bood het RMO in Leiden een tentoonstelling over hetzelfde onderwerp met enkele maquettes op schaal en bijbehorend boekje, zodat ik toch nog aardig geïnformeerd eindigde.


Wát er ook op de reis aan te merken zij, het vervoer was perfect geregeld. Voor iedere excursie werd ik opgehaald, stipt met een minibusje bij m’n hotel - dat was een eind weg, helemaal in het Noorden in het dorp Sint-Paul’s Bay - en naar de verzamelplaats vlakbij Valletta gebracht. Dat plaatsje heette Msida. Daar vond je dan je grotere bus, met de gids voor die dag. In de praktijk waren dat Nynke (een op Malta wonende Nederlandse) of de Vlaamse geschiedenisstudent Peter. In San Pawl Il-Bahar zoals m’n verblijfplaats in het Malti heet, was niet veel te beleven, behalve dan misschien dat de genoemde apostel er schipbreuk geleden had, aangespoeld op een mini-eilandje dat je vlak voor de kust kon zien liggen. Er stond een standbeeld van hem op, en dat was het enige dat er verticaal aan was. Het feit was intussen bijna 2000 jaar geleden, zodat de opwinding erover al wel aardig geluwd was.

Stukje geschiedenis.

De geschiedenis van Malta liep meest parallel aan die van het naburige Sicilië; tot in 1530 de Habsburger Keizer Karel V Malta aanbood aan de Johannieters - een orde van Kruisridders die oorspronkelijk in Jerusalem gevestigd waren, en keer op keer door de Osmanen verdreven werden, het laatst van Rhodos. Hun schutspatroon was Johannes de Doper, vandaar hun naam. Later werden zij aangeduid met de naam Maltezer ridders. Karel pachtte de eilandjes van Sicilië tegen betaling van een geheel afgerichte jachtvalk per jaar. Dat dier moest dan steeds met het nodige ceremonieel aangeboden worden. Het ware verhaal van “The Maltese Falcon”!

Karel schonk de ridders de eilanden niet uit naastenliefde of meelij, maar als onderdeel van zijn master plan om de Turken van het Osmaanse Rijk op afstand te houden, in casu uit het westelijk deel van de Middellandse Zee. Voor de Johannieters was het vooral de natuurlijke haven, een diepe inham met diverse zijtakken, die hen deed besluiten het aanbod te accepteren.  Als de Turken hen ook hier achterna kwamen, konden ze hun vloot in dat labyrint menige loer draaien. Ze bouwden hun zwaar versterkte hoofdstad Valletta rond die havens en maakten van het hele eiland een vesting. Met name Mdina, van oorsprong de belangrijkste stad, namen zij over en voerden de verdediging ervan op. Gelegen op een hoogte vanwaar men vijanden van verre kon zien naderen, was Mdina een belangrijke sterkte; en mocht de vijand de muren forceren, dan nog kwamen ze in een wirwar van straatjes en pleintjes vol trucjes waardoor ze als schietschijf dienden.

De Turken kwamen, met een geweldige overmacht, in 1565. De verliezen aan beide kanten waren groot maar, mede dank zij die loeren, aan de Turkse kant veel hoger. Na vier maanden vechten en weinig opschieten, verloren de Turken hun enthousiasme. De herfst was nabij en het weer dreigde om te slaan. Dat bedreigde hun ravitaillering. Ze zeilden weg en terug naar huis.

De ridders waren zo opgetogen dat ze nog veel meer gingen bouwen, vestingwerken en nog eens vestingwerken voor als de vijand nog eens terug zou komen, en knotsen van paleizen en kerken. Een dergelijke bouwwoede had slechts één precedent op de eilanden: de megalithische tempelcomplexen van de prehistorische bewoners, maar daarover later. De Orde liet zijn hoofdkerk in Valletta exuberant, van top tot teen, en centimeter voor centimeter, versieren en vergulden. Het enige dat verhinderde dat het resultaat een grote chaos werd was dat één kunstenaar, Mattia Preti, de supervisie hield over de hele operatie. Hij maakte zelf de gewelfschilderingen - scènes uit het leven van Johannes de Doper - ontwierp de gebeeldhouwde ornamenten van de muren en de pilaren, en had het laatste woord over de kleurstelling van de ingelegde marmeren zerken waarmee de kerkvloer geplaveid is. Het stak de Heren dat niet hún kerk, maar die van de oude stad Mdina de cathedra bevatte. Ze legden zich tenslotte neer bij de status van co-kathedraal voor die van hen. Intussen was de dreiging dat de Turken terugkwamen al spoedig verdampt, nadat hun vloot bij Lepanto - in 1571 - een zware nederlaag geleden had tegen een coalitie van Venetië, Spanje en de paus.

De ridders echter raakten geheel losgeslagen van hun oorspronkelijke doelen. In hun hubris versierden ze niet alleen hun kerken en paleizen, maar ook alle meisjes van het land. Hun gelofte van kuisheid werd vergeten, net als die van armoede, en hun roeping tot het verzorgen van zieken. Zo kwam het dat, toen Napoleon er in 1798 landde, de Maltezen hem vroegen de Orde uit het land te verjagen. Dat gebeurde, maar de Fransen deden er zelf slechts twee jaar over om zich op hún manier onmogelijk te maken. Napoleon liet de kerken leegroven om zijn Egyptische veldtocht te kunnen betalen. Nadat hij al het zilveren pronkwerk had laten omsmelten tot soldij, deden zijn soldaten de maat overlopen doordat ze gobelins en andere kerkelijke kostbaarheden ter plaatse wilden gaan veilen. Malta riep Engeland te hulp. In 1800 zeilde Nelson binnen. De Engelsen bleven  heer en meester van deze strategisch gelegen eilanden, tot ze hun in 1964 onafhankelijkheid verleenden.

Engels is er nog steeds een officiële taal, naast het oorspronkelijke Malti. Dat laatste ga je niet leren natuurlijk, behalve uit liefhebberij of als het je vak is. De basis ervan is Arabisch - volgens sommigen zelfs Phoenicisch. Markt is Suq; Straat Trig. God heet er Alla. ‘Glorja lil Alla, filgholi’, las ik in de hoofdkerk van Marsaxlokk. Ik meen dat te mogen vertalen als ‘Ere zij God, kinderen.’ Ze schrijven het in Westers schrift, met behulp van wat extra stippen of lijntjes op sommige medeklinkers voor klanken die wij niet hebben. En er zijn ook een paar letters die je niet uitspreekt, behalve dan in de vorm van een glottisslag of juist een zachte aanhef. Ħaġar Qim klinkt als Hadzjar Iem, Gharb als Arab of Arb, en Tarxien als Tarsjien. Die rare M gevolgd door een medeklinker aan het begin van een plaatsnaam wordt uitgesproken als IM: Imnaidra, Imdina, Imsida.

Over de semitische basis van de taal is een dikke laag Latijn, Italiaans, Spaans, Frans en Engels blijven hangen. Goedendag is Bonju. Het klinkt als Bonjour zonder r. Het zou ook van Italiaans Buongiorno afgeleid kunnen zijn.

Valletta.

In Valletta biedt Fort Saint Elmo goede uitzichten over de havens en de vestingwerken. Het is zelf een stervormige vesting tussen de ingangen van twee havens, en andere landtongen zijn evenzo versterkt met muren die elkaar in scherpe hoeken ontmoeten. Dat overzicht had men in de 16de eeuw natuurlijk alleen vanaf de top van zo’n fort. De over het water naderende vijanden zagen niets dan muren en nog eens muren, en niemand kon zien waarheen de waterlopen voerden. Tegenwoordig heeft Valletta drukke havens en onder andere het grootste dok van West-Europa. 

Havens van Valletta

In de oude stad kan men zich nog in de tijd van de Ridders voelen. Een mooi barok paleis in Spaanse stijl was ooit de ‘Auberge’ van de Ridders uit Castilië, Léon en Portugal. De mannen waren georganiseerd in zogenaamde ‘tongen’ van verwante talen. Dit gebouw, van de Iberische talen, is het enige van de ‘Herbergen’ die er nog staat. De Auberge d’Allemagne werd in 1839 afgebroken ten gunste van de Anglicaanse Pro-Kathedraal van St Paul. Het gebouw stond toen al weer geruime tijd leeg, na de opruimactie door Napoleon.  De andere zes werden weggebombardeerd in de tweede wereldoorlog.

Auberge de Castille, Leon et Portugal.

Pro-kathedraal is weer eens wat anders dan Co-kathedraal, maar het voornaamste verschil is dat het eerste tot de terminologie van de Anglicaanse Kerk behoort. Het bisdom waar de StPaul van Valletta bij hoort heet Gibraltar. Zo kaal en wit als deze kerk er van binnen uitziet, zo oogverblindend is het interieur van de co-kathedraal van de Johannieters. Als Napoleon’s mannen ook hier het zilverwerk geroofd hebben, dan mist men het heden niet. Aan een boom zo volgeladen... De muren zijn met gesculptureerd goud bekleed, en de gewelven vol beschilderd.  De tegels die de zerken dekken zijn ieder apart een blik waard; allen tezamen vormen ze een wat drukke vloer. Buiten, aan de Westzijde, oogt deze kerk als een eenvoudige barokkerk, symmetrisch met twee torens en daarachter een koepel, net als verreweg de meeste kerken van dit land. En dat zijn er veel. Het lijkt erop dat ze allen tijdens de Johannieterperiode gebouwd zijn.

Mdina.

Het oude stadje oogt als een museum. Het ligt nog geheel binnen de oude muren, of wat er in de loop der eeuwen buiten gebouwd is werd lang geleden weer verwijderd. Er wonen hier alleen rijken en notabelen; de eigenlijke woonstad ligt een poort verder: het veel grotere Rabat. Mdina zie je van verre liggen; op een hoogte; de kathedraal rijst nog boven de muren uit. De stadspoort draagt het wapen van de Grootmeester van de Orde, en het Grootmeesterpaleis is één van de voorname gebouwen. De kathedraal blijkt van binnen even overdadig versierd als haar zusje in Valletta, maar met lossere hand. Met name geldt die losheid voor de schilderingen in de gewelven. De vloer is met zerken betegeld, net als daar.  Opvallend zijn de vele felrode gordijnen en draperieën, een aspect dat me in wel meer kerken van Malta opviel. Als ik nu thuis op internet kijk, zoek ik er vergeefs naar. Zou het ter gelegenheid van Kerstmis geweest zijn? In mijn herinnering was rood in de katholieke kerk een symbool voor de Heilige Geest, en werd het dus vooral met Pinksteren toegepast. Over symbolen kun je je echter makkelijk vergissen. Ook de Ridders hadden veel rood in hun vlag. Hoe ver ging hun invloed, en hoe lang is die blijven hangen?

Kathedraal van Mdina.

Dingli Cliffs.                             not me!

De bodem van Malta heeft weinig hoogteverschillen. Enkele ribbels
die misschien breuklijnen markeren, en een losse heuvel zoals die van
Mdina. Van Mdina zetten we onze tocht in Zuidwestelijke richting
voort. De grond loopt dan geleidelijk op, tot de aarde opeens loodrecht
afbreekt bij Dingli Cliffs. 200 meter naar beneden ligt daar alleen
de zee. Je ziet de schaduwen van wolken over het water trekken,
terwijl hier boven in december voorjaarsbloempjes bloeien: een soort
Alyssum, een klein koekoeksbloempje, en madelieven op een natte
kalkbodem. Een stukje karakteristiek landschap dat zich diep in mijn
geheugen genesteld heeft.

De volgende dag herhaal ik op eigen gelegenheid het bezoek aan Mdina; het ging me vandaag allemaal te snel. Tekenboek mee.

Met de pont naar Gozo.

Het blauwe Venster. Gozo 2004.

Tussen de eilanden Malta en Gozo bestaat een drukke veerdienst, die ook het kleine eiland Comino, tussen beide in, bedient. Een overtocht tussen de twee grotere eilanden duurt 25 minuten. Je komt op Gozo aan in de havenstad Mġarr.  Diametraal daartegenover, aan de Noordwestkust van het eiland, bevindt zich het ‘Blauwe Venster’, een indrukwekkende formatie van de kalkstenen kust. Op 28 meter hoogte strekte zich een dikke plaat oppervlakte-gesteente horizontaal uit tot boven zee, waar hij rustte op een natuurlijke pijler. Men kon er bovenop lopen, en gezien van beneden leek het een raam waardoor je slechts blauwe lucht en water zag. Verbaas je niet, Beste Lezer, over de plotselinge overgang van dit verslag naar de verleden tijd. Het gevaarte is in 2017 ingestort. Door slecht weer werd de pijler eronder weggeslagen. Er was op tijd gewaarschuwd door de Geologische dienst, en ongelukken deden zich niet voor. Toen wij er in 2004 waren was het zonnig weer, en toonde het ‘venster’ zich nog op z’n mooist.

Malta bestaat vrijwel geheel uit kalksteen. Er zijn ter plaatse twee hoofdsoorten van: Koraalkalk, die ietsje harder is en lichtgrijs van kleur, en Globigerinenkalk, waar je met een mes krasjes in kunt maken en die een licht mergel-achtige kleur heeft. Hier beneden bij het blauwe venster is het globigerinen, en tot mijn verrassing zit die vól met fossiele resten van schelpdieren en crustaceeën. Globigerinen zijn microorganismen in het plankton van de zeeën. Ze hebben een kalkskelet dat als ze sterven naar de bodem zinkt, Met miljoenen tezamen vormen ze daar een sediment, waar resten van andere organismen in kunnen verzinken en fossiliseren. Bij opheffing van de bodem verhardt het tot kalksteen.

Fossielen: Schelpen en Carapaxen.

Alle bouwers, van de vroege voorgeschiedenis tot de modernen, die aangewezen waren op locale steensoorten, hadden dus niet veel keus. Kalksteen of kalksteen daar kwam het op neer. Merkwaardig genoeg was de behoefte om er met kleuren variatie in te brengen minimaal. Het gevolg is een eentonigheid zoals je op andere Mediterrane eilanden niet vindt, zeker op de grotere niet. Als je, zoals wij bij aankomst, op enige hoogte over de lengte van de eilanden vliegt, doen ze zich voor als een éénkleurige grindbak - vergeef me de vergelijking. Bij de terugvlucht gingen we, na een stukje zee, dwars over Sicilië, dat zóveel rijker is aan geschiedenis, cultuur en kleuren, en dat vlakten en bergen heeft. Helemaal rechts zag je het breedgevleide silhouet van de Etna, buiten proportie van zijn omgeving, zwart en onverzettelijk. De wind blies een lichte walm van de top af. Landschappelijk is Sicilië zoveel rijker, en het heeft ook meer schatten van historie bewaard. De vergelijking is niet eerlijk: Sicilië is één van de vier grootste eilanden van de Middellandse Zee. Daarmee vergeleken is Malta maar een paar kruimels - maar wél met een heel eigen karakter.

De tempels.

De andere grootse bouwonderneming in het land zijn de megalithische tempels, gedurende zo’n 1500 jaren gebouwd vanaf ca. 3600 vC.  Er zijn meer dan 25 vindplaatsen van bekend. Weliswaar zijn enkele daarvan niet verder gevorderd dan het bouwrijp maken van de locatie, maar juist dat lijkt te getuigen van een massale inspanning, die de laatste energie van die beschaving uitputte.

Wat die lui bewogen heeft om zich af te beulen met brokken steen tot 20 ton, die ze op maat hakten, tenminste honderden meters verplaatsen, ordelijk overeind zetten en vakkundig ondersteunden, blijft een onbeantwoorde vraag. Mensen met alleen stenen werktuigen zullen toch hun energie best nodig gehad hebben om alleen al te overleven. Maar ja, dat gold mutatis mutandis ook voor de arbeiders die de middeleeuwse kathedralen optrokken, en voor de boeren die hen moesten voeden. Misschien hielp het - cynisch bekeken - tegen de overbevolking, zodanig dat de populatie zich 1500 jaar lang kon handhaven. Ze deden het allemaal zelf, zonder de luxe van slaven of krijgsgevangenen zoals de Egyptenaren bij de piramide-bouw.

Na mijn bezoek vond ik stomtoevallig  bij de Slegte een gründliches Deutsches werk door Joachim von Freeden: Malta, und die Baukunst seiner Megalith-Tempel (Wiss. Buchgesellschaft, Darmstadt 1993). Een prachtig boek, met veel foto’s, dat de bouwtechniek, de materialen en de ontwikkeling haarfijn analyseert. Reconstructie van de geschiedenis van een schriftloze cultuur blijft natte-vingerwerk, maar je kunt er een min of meer plausibel verhaal van maken. Von Freeden’s verhaal luidt dat de eilanden, door hun klimaat en natuurlijke, bosrijke begroeiing, aanvankelijk een welvarende bevolking onderhielden. Hun grootste expansie hadden de bewoners omstreeks het midden van het 4de Millennium vC bereikt. Toen was zo ongeveer alle bruikbare grond in cultuur gebracht, en zouden bomen en klein wild spoedig schaars gaan worden. Het was dus een grote en gezonde bevolking die omstreeks die tijd begon met het bouwen met grote steenblokken. De Ġgantija tempels op Gozo waren een vroeg voorbeeld. Die in Tarxien een laat. Terwijl de bouwtraditie zich ontwikkelde, werden geleidelijk de gevolgen van de vernietiging van de natuur voelbaar. Het is eigenlijk verbazend dat het nog anderhalf millennium duurde voordat de cultuurdefinitief instortte. Al die tijd ging de bouw en het gebruik van de tempels door, met de suggestie van een ware eindsprint.

Je zou kunnen denken dat het juist die zware inspanning was, die de mensen minder lang deed leven en/of vroegtijdig deed bezwijken: een onbewuste strategie om de bevolkingsdichtheid te beteugelen? (C & WMS Russell, 2000) Maar waarom dít? Konden ze zich niet aanpassen door hun omgeving te verduurzamen? Konden ze zich niet juist matigen in hun energie-uitgaven of door geboortebeperking de populatie klein houden, elders inspiratie opdoen of voedsel importeren? In von Freeden’s visie waren ze aanvankelijk flexibel genoeg. Lijfelijk afkomstig uit het nabije Sicilië, lieten ze zich eeuwenlang inspireren door vooral de culturen van de Oostelijke Middellandse Zee, overgebracht door handelaren, emigranten en schipbreukelingen. Net als in het Oosten, bouwden zij met tichels en met hout, en vereerden ze diklijvige vruchtbaarheidsgodinnen. En ze importeerden obsidiaan voor zover ze dat nodig hadden voor hun werktuigen. De overgang van hout naar grote rotsblokken was echter volstrekt lokaal, beperkt tot Malta, en zette zich dóór volgens een geheel eigen weg. Nergens zijn tot nu toe tempelresten gevonden die hun tot voorbeeld gediend kunnen hebben. Het is niet onwaarschijnlijk dat hun religieuze voorstellingen ook zo’n eenzame weg gingen. Een eilandsekte - dat is het soort beeld dat in dit verhaal past. Een voortdenderende ideologische trein die door geen realiteit meer te stoppen was. Wellicht meenden ze de onbegrepen afname van de vruchtbaarheid van hun bodems te kunnen keren door nóg meer verering en nóg meer tempels, een ware tragedie. Wie weet moedigden de priesters dat geloof zelfs bewust aan, om te voorkomen dat het volk in opstand kon komen. Het zijn maar verhalen. Ze hebben een zekere plausibiliteit als we ons proberen te verplaatsen in hun situatie, maar ze kunnen er evengoed naast zitten of elementen van waarheid bevatten. Feit is dat de cultuur aan het eind van het 3de Millennium vC tot een einde kwam. Emigranten bouwden nog wat verwante structuren in Sicilië, en toen was het uit.

Laatste dag van de reis.

Onderweg naar Tarxien kijken we vanaf de Zuidwestkust uit op het mini-eilandje Filfla. Het heeft de vorm van een antarctische ijsberg, plat van boven, steile wanden en een voet van puin. Waarschijnlijk is het onder water breder: de golfslag ondermijnt de boven water uitstekende wanden zonder ophouden. Het Engelse leger gebruikte het wel als schietschijf; daar zal het niet mooier van geworden zijn, maar misschien heeft de zee de sporen ervan al weer uitgewist. Met zijn licht glooiend bovenvlak lijkt het wel een model van de grotere eilanden, speciaal gemaakt ter instructie van de bezoekers.


Voorbij de plaats Paola zien we een prehistorische grot waar veel fossiele beenderen gevonden zijn. Het bijbehorende museum toont ze in kasten vol met botten, echt lekker ouderwets, zoals een museum eruit moest zien. De lokale  zoogdierfauna van vóór de ijstijd was uniek. Behalve een soort herten liepen er dwergvormen rond van olifanten, neushoorns en beren. Die waren echter allemaal al uitgestorven voordat de eerste mensen de eilanden betraden.


Dan eindelijk één van de voorhistorische tempels, of liever een heel complex van vier tempels, waarvan er drie innig met elkaar verbonden zijn. Deze hier representeren het meest ontwikkelde type van de Maltese tempel. Als je door de 

Plattegrond van 2 tempels in gemeenschappelijke mantel (Gigantija). (Ruw naar von Freeden).


‘poort’ naar binnen gaat, kom je in een gang met links en rechts een ruimte met afgerond einde. In moderne termen kun je die vergelijken, ieder met een presbyterium dat in een apsis eindigt. Von Freeden spreekt objectiever van een Raumbucht voor de ‘apsis’, en noemt de brede, rechte gang die zich uitstrekt van Raumbucht naar tegenoverliggende  Raumbucht een Quertrakt. (Om je een indruk te geven: de lengte van een Quertrakt kan rond de 20 meter zijn). De combinatie van steeds  twee inhammen tegenover elkaar is typerend voor de meeste Maltese tempels. Als je de Quertrakt in het midden dwars oversteekt, kom je in het vervolg van de eerste gang en opent zich een tweede Quertrakt met tegenoverliggende Raumbuchten. En misschien nog een derde paar. Aan het eind van de centrale gang bevindt zich nóg een enkele uitbochting: de Kopf in von Freeden’s termen. Om de eigenlijke tempel, of om een hele groep is een Mantel gebouwd van meest grote steenblokken. (Figuur hierboven als voorbeeld, schematisch). Van boven is alles open, en waarschijnlijk altijd open geweest, maar op de staande stenen blokken van de mantel waren enige lagen liggende stenen opgetast. In de tempels is niet zoveel bijzonders gevonden, behalve idolen van steen of klei, een vuurplaats, altaar-achtige structuren. Diverse stenen waren versierd met laag reliefwerk, vaak in de vorm van verbonden spiralen, of soms een plant-achtig netwerk van bladen en steeltjes. Losse spiralen op prehistorische objecten worden vaak als zonnensymbool geduid. Ik weet er verder te weinig van. De verbonden spiralen doen mij denken aan water. Gewas en water, dat zijn misschien wel de belangrijkste elementen geweest in de vroege landbouwculturen van de Mediterrane wereld! Of misschien verwijzen de verbonden spiralen, nog abstracter, naar saamhorigheid.

Klimaat.

Onze excursies werden soms gesmoord of onderbroken door felle regenbuien. Het was het seizoen. Net als in Italië, is de winter er de regentijd. In de praktijk van december tot maart. De rest van het jaar is het in Malta akelig droog. Regenval is er de enige bron van zoetwater. Eén van de eerste dingen die je na aankomst opvalt is de rijen stalen ‘emmers’ op de daken. Die dienen voor het opvangen van regenwater, en onder in de kelders hebben de bewoners cisternen voor wateropslag om de droge driekwartjaar door te komen. 

De temperaturen zijn in de winter lager dan je uit de breedtegraad zou verwachten. Bij gebrek aan brandstof wordt er niet verwarmd, en de koude kalkstenen muren druipen ‘s winters van de vochtigheid. Kruip bijtijds in je slaapzak, zo werd me verteld, en blijf er zo lang mogelijk in; zo is het uit te houden. Niet vreemd dat er omstreeks december een geboortepiek optreedt, hè?


C & WMS Russell, 2000. Population crises and population cycles. Medicine, Conflict and Survival 16,4,383-410.


Vissersboot bij San Pawl Il-Bahar.






vrijdag 28 augustus 2026

Some Reminiscences of Michael R.A. Chance. (1915-2001)

“... a symbol of what a heart that stays young can accomplish in a world that is cold and inimical." (Maurois on Disraeli).

"From time to time I have to be reminded that the world is not harmonious." (Michael Chance).

It must have been towards the end of the sixties when I first met Michael Chance. Most likely, he visited our lab in Leiden coming from the IEC at Rennes, September '69. He may have read a paper, at the conference, on his invention of  'cut-off' behaviour (1). However that may be, it was one of the topics he took to our group. Everyone of us had one or two examples, in our experimental animals, of acts that might be interpreted as cut-off: 'head-flagging' in gulls, 'pricking' and 'showing the nest entrance' in the male stickleback, and 'dorsal and ventral roll' in barbs. The first and last of this little list were appeasement gestures; the stickleback postures were part of courtship. 

Michael Chance in 1997

Shall I explain about cut-off? When two rats fight, for instance standing up against each other on their hindlegs, boxing and biting, the party that has the worse may start a manoeuvre: bending backwards, which makes it lose sight of its opponent. That is cut-off: shutting one or more sense organs for a frightening stimulus. Our rat, as a result, may pick up fresh courage, prolong the struggle, and may be even decide it in its favour. That rat actually manipulates its own motivational state. Quite an accomplishment, lacking self-consciousness.

What we have just witnessed may be called the 'type specimen' of cut-off, the scene that gave Michael the hint. He surmised, though, that this was just an example of a whole category. Stereotyped movements turning head or body away from the partner abound in skirmishes and courtship of various species. Many of such acts had already been interpreted as appeasement gestures (hiding certain aggression-provoking parts, viz. the 'looking away' of the gulls), as displacement acts (for instance preening the feathers or adopting a sleeping posture as in contesting starlings or avocets), or as ambivalent zig-zags (as in the courtship of sticklebacks or zebra finches). Now, behaviour elements may be open to multiple interpretations. Grass-pulling by disputing herring gulls may belong to the nestbuilding context (gathering grass), and thus constitute a displacement act, or it may be aggression redirected. And it might be both. There is nothing against some of the above-mentioned being cut-offs as well. It was in this vein that Michael was looking around for more material to support his hypothesis.

As for 'my' barbs, I had to disappoint him - which he took in his typical cheerful manner. Barbs, when attacked, may roll around their longitudinal axis, turning the narrow aspect of back or belly towards the opponent. This is appeasement. The move hides all that is presented ostentatiously during threat from the attacker's eye. The latter immediately loses interest in such a small and insignificant creature. My observations strongly suggested that the rolling party does not at all lose sight of its enemy. On the contrary, it fixates the latter binocularly. It is part of the way in which it maintains that unusual orientation in space.

Rolling is only one of several specialised stances barbs may adopt. They may pitch or lean as well; and I was interested to find the technical means to test some hypotheses about all those postures. Michael kindly helped me looking around for those means. For the rats, special goggles had been devised to manipulate their visual field experimentally. He sent me off-prints of the relevant publications later on. Perhaps something similar might be done for fish...

He also persuaded me to enrol as a fellow of the Royal Anthropological Institute (for Britain and Ireland), because of my paper in Current Anthropology of the year before. And he asked me whether I would review his forth-coming book (2) in Man, the journal of the RAI. "You would be an excellent critic", he said. He may or may not have been slightly disappointed with my review when it was printed. At the time, I was impressed by the super-critical approach of Jan van Iersel, and I did not let the concept of attention as a determinant of behaviour pass without a caveat. However this may be, Michael's gift for communication and cooperation had by then become quite clear to me.

Having mentioned cut-off, I may as well introduce you to some more of Michael's creative ideas. Three years before cut-off, in 1959 (3), he and Bill (W.M.S.) Russell launched the notion of 'Protean behaviour'. That is chaotic behaviour with which an animal may confuse a predator (or a prey, for that matter).

The already-mentioned book with Clifford Jolly, 1970, introduced the concept of the 'hedonic mode': a style of social interaction characterised by free communication, playful inquisitiveness as to the surroundings, and dominance relations that are based on abilities to catch and hold the attention of group members, rather than on intimidation. Chimps can do it, and humans, both in their own manner. However, in both, the coherence of a group may also be grounded in hostility, be it overt, or covert with social tension as a symptom. Michael referred to this as 'agonistic'. Only later (4), he defined the covert version as the 'agonic mode'.

It appears from this bird's-eye survey that Michael's contributions had a lot to do with social communication - and non-communication. Throughout, the notion of attention played a key role (5).

Among Michael's creations, the two modes, hedonic and agonic, constitute, to me, the most fertile. Their significance has not yet been completely understood. This in spite of two books written on the subject (6) and inspirations for at least another two (7). And also in spite of the steady efforts of the Birmingham Group, alias the SSI (Social Systems Institute), larded with written papers in the ASCAP newsletter. The idea has since been further developed by Kortmulder & Robbers (2005) (8). The theory has been adopted in studies as different as the interpretation of emotional expressions in electory candidates in TV debates (e.g. 9) and mother-child relation therapy (e.g. 10).The SSI was an informal grouping of scientists of diverse plumage, gathered around Michael. Each one of its members recognised in the 'two modes' something of his/her own experience. They met twice a year in order to delve into the subject, each from one's own discipline.

I did not meet the Birmingham Group before 1994. Through the years, Michael used to respond by mail to the off-prints I sent. Now he explicitly invited me, because he saw much in common between our ideas. As I couldn't make it to the autumn meeting because of my wedding, it was arranged that I should meet some of the members in London at a later date. I do not intend to dwell on all the subsequent meetings we had. The experience of coming home was there at each occasion, but I felt it particularly strongly that first time. On a rainy and dark december-afternoon we met in the lobby of a Bloomsbury Street hotel: Michael, Frank Cawson and David Stevens. There was chaleur instantly, and it didn't leave us through the evening, as we dined at a small restaurant in Coptic Street. We visited a wide range of subjects, of which I remember only the Dutch, British and American drugs policy. Our circle was wider than we surmised. Towards the end of the meal, the lady who had been dining tête-à-tête at the table across from ours spoke to us. Loraine Stern MD from Santa Monica, California confessed "having been eavesdropping shamelessly", fascinated by the spectrum of our discussions and wishing to have been a member of our club. We wouldn't have kept her out, but she was about to fly back to the States.

Next morning we met again at David's house. Michael explained how the meetings worked. A brief pause after each presentation before it was discussed. A good measure, keeping the mind relaxed, and capable of making optimal use of the information we gave one another. The general atmosphere was one of mutual respect.

At a SSI meeting, 1998

In this and later meetings, there was no doubt about Michael being the leader. Not through his power, but because everybody looked at him that way. His natural courtesy and personal warmth, as well as his openness of mind worked in that direction. But also, of course, the fact that he took initiatives for meetings, and invested in them financially.

But perhaps this is already tending towards hagiography. That would not be fair. His gentleness set the key for all his actions, but that did certainly not prevent him from manipulating people. He could exert quite considerable pressure, whenever topics wandered too far from 'his' two modes. As behoves a hedonic leader, he competed lustily for attention. He was easy to be flattered but, on the other hand, also a jolly good sport whenever he lost the game. "Shall we dance?" he suggested as we paused during one of the later meetings. And there we went, hands on shoulders, singing and around Odin's hall and garden like a cheerfully meandering snake.

His sanguine temperament made him warm quickly to somebody else's ideas, only to drop them as suddenly as he had picked them up. With some exceptions. He remained true to the work of Paul McLean, even when the pretty severe outside criticism was heard. He also stuck with Chris Knight, who could not boast great popularity with the rest of us. Fellow-feeling with the Marxist? Come on. But on the whole his acclamations and disfavours were rather unpredictable from moment to moment. I surmise, too, that his impulsive temperament, besides attracting people to join and stay with the group, could also, just as suddenly, knock off old and faithful members.

There is a certain mildness about people who use both their cerebral hemispheres, ratio as well as intuition. This certainly applied to Michael. His was a fertile phantasy, sometimes venturing into the impossible. His undertaking to write a new book on the two modes, unfolded during the late meetings, contained too much thin air. One of us, on his instigation, had already lobbied for the book with a publisher abroad. Michael had devised in detail what members of the SSI and other friends and colleagues were going to write. It turned out, however, that so far he had approached none of them. And it took some effort to convince him that he would not manage to write all those chapters all by himself.

And yet, his phantasy was at the base of his success, and one of his great charms as a scientist, along with his openness of mind and the emphasis he put on the fun of work-in-progress rather than the power or prestige of success. In short, a man to be fond of, and to never forget now that he is gone. As to the SSI, it would seem that its cohesion depended substantially on Michael's all-round scientific competence. After all, he was a biologist as well as a doctor and a pharmacologist, all in one. Nobody was able to take his place.

At Fardell Manor, Devon, UK, in 1998

(1) M.R.A. Chance. 1962. An interpretation of some agonistic  postures; the role of "cut-off" acts and postures.  Sym. Zool. Soc. Lond. 8: 71-89.

(2) M.R.A. Chance & C. Jolly. 1970. Social groups in Monkeys, Apes and Man. London: Jonathan Cape.

(3) M.R.A. Chance & W.M.S. Russell. 1959. Protean displays: a form of  allaesthetic behaviour. Proc. Zool. Soc. Lond. 132: 65-70.

(4) M.R.A. Chance. 1984. Biological systems synthesis of mentality  and the nature of the two modes of mental operation: hedonic and  agonic. Man-environment Systems 14: 143-57.

(5) M.R.A. Chance. 1967. Attention structure as the basis of primate rank orders. Man 2: 503-18.

(6) M.R.A. Chance & R.R. Larsen (eds). 1976. The Social Structure of  Attention. New York: John Wiley & Sons.

- M.R.A. Chance (ed.) 1988. Social Fabrics of the Mind. London:  Lawrence Erlbaum Associates.

(7) A. Stevens. 1995. Private Myths; Dreams and Dreaming. London: Hamish Hamilton.

- A. Stevens & J.S. Price 1997. Evolutionary Psychiatry. London: Routledge.

(8) K. Kortmulder & Y. Robbers, 2005. The Agonic and Hedonic Styles of Social Behaviour. The Edwin Mellen Press, Lampeter, New York, Queenston.

(9)  E.P. Bucy, 2008. "Happy warriors" revisited; hedonic and agonic display repertoires of presidential candidates on the evening news. Politics and the Life Sciences, 27(1): 78-98.

(10) J. Amos & L. Segal, 2018. Disrupting intergenerational maternal maltreatment in middle childhood: therapeutic objectives and clinical translation. Frontiers in Psychiatry, doi: 10.3389/fpsyt.2018.00623






maandag 13 april 2026

Publications Koenraad Kortmulder; arranged according to main subjects


1. Comparative studies of Barbs (Cyprinidae): behaviour, reproduction, colours, ecology, food and feeding.

General:  

Kortmulder, K. 1972. A comparative study in colour patterns and behaviour in seven Asiatic Barbus species. Behaviour Suppl. 19: xiii, 331 pp.

Kortmulder, K. 1982. Etho-ecology of 17 Barbus species. Neth.J.Zool.: 144-68.

Kortmulder. K. & Y. Robbers, 2011. Barbelenverhalen I; Vissen in Tropisch Water. Brussel, ASP.

Kortmulder, K & Y. Robbers, 2017. Barbelenverhalen II; Ethologie in Evolutie. Leiden, Lugdunum.

Reproduction, behaviour and fysiology:

Dunham, D.W., K. Kortmulder & J.J.A.van Iersel, 1968. Threat and appeasement in Barbus stoliczkanus. Behaviour 30: 15-26.

De Silva, S.S. & K.Kortmulder, 1977. Some aspects of the biology of three species of Barbus endemic to Sri Lanka. Neth.J.Zool. 27: 182-94.

Kortmulder, K. 1978a. Barbelen uit tropisch Azië (Barbus tetrazona). Het Aquarium 48: 174-80.

Kortmulder, K.  1978b. Barbelen uit tropisch Azië (Barbus nigrofasciatus). Het Aquarium 49: 142-52.

Kortmulder, K., E.J.Feldbrugge & S.S.De Silva, 1978.  A combined field study of Barbus nigrofasciatus and water chemistry of its habitat in Sri Lanka. Neth.J.Zool. 28: 111-31.

Schut, J.A., S.S.De Silva & K.Kortmulder, 1984. Habitat, associations and competition of eight Barbus species indigenous to SW Sri Lanka. Neth.J.Zool. 34: 159-81.

De Silva, S.S., J.A.Schut & K.Kortmulder, 1985. Reproductive biology of six Barbus species indigenous to Sri Lanka. Env.Biol.Fish. 12: 201-18.

Kortmulder, K. 1986. Similar behaviour and colour patterns in three not closely related Barbus species; is evolutionary convergence a likely explanation? Behaviour 98: 180-212.

Kortmulder, K. 1987. Ecology and behaviour in tropical freshwater fish communities. Proc.Symp.Kuala Lumpur 1962, Archiv Hydrobiol.Beiheft 28: 503-13.

Kortmulder, K., K.G.Padmanabhan & S.S.De Silva, 1990. Patterns of endemism of some cyprinid fish as determined by the geomorfology of SW Sri Lanka and S Kerala (India). Ichthyol.Explor.Freshwaters 1 (2): 97-112.

Harikumar, S., K.G.Padmanabhan, P.A.John & K.Kortmulder, 1994. Dry season spawning in a cyprinid fish of S India. Env.Biol.Fish. 39: 129-36.

Food and feeding behaviour:

De Silva, S.S., K.Kortmulder & M.Wijeyaratne, 1977. A comparative study of the food and feeding habits of Barbus bimaculatus and B. titteya, Neth.J.Zool. 27: 253-63.

Prem Kumar, K., B.Vijayakumar, K.G.Padmanabhan & K.Kortmulder 1987. Food and feeding habits of two cyprinid forage fishes, Puntius filamentosus and P. amphibius from South Kerala. Neth.J.Zool. 36: 449-61.

Vijverberg, J., J.Heidweiller, J.G.Sevenster & K.Kortmulder, 2017. Food and micro-habitat partitioning among cyprinids in Sri Lankan hill-stream pools. Sri Lanka J.Aquat.Sci. 22(2): 71-82. DOI: http://doi.org/10.4038/sljas.v22i2.7532

Vijverberg, J., M.A.van der Land, A.Vreeke, P.B.Amarasinghe & K.Kortmulder, 2019. Availability of animal food organisms and their utilization by cyprinids in Sri Lankan hill-stream pools. Sri Lanka J.Aquat.Sci. 24(2): 53-63. DOI: http://doi.org/10.4038/sljas.v24i2.7567 

Kortmulder, K. & P.van der Wiele, 2023. Feeding behaviour, species associations and natural diets of 10 Cyprinid fish species from South-West Sri Lanka. https://doi.org/10.1101/2023.07.12.548677. 

Miscellaneous:

De Silva, S.S., K.Kortmulder & P.Maitipe 1981. The identity of Puntius melanampyx singhala. Neth.J.Zool. 31:777-85.

Kortmulder, K. & R.van der Poll, 1981. The juvenile and adult pigment patterns of Barbus lateristriga, B. titteya and B. narayani, and their taxonomic value. Neth.J.Zool. 31: 453-65.

Kortmulder, K. 2001. Barbus bandula en nog een nieuwe onbekende. (Het Aquarium 71(6): 194-5. [errata in later issue; “red Barbus cumingi” Het Aquarium 72(9): 269-70.

Kortmulder, K. 2005. Barbus denisonii (Day, 1865). Het Aquarium 75(9): 315-9.

Kortmulder, K. 2006. Bin Gettiya, ofwel Barbus dorsalis (Jerdon, 1849), de Langsnuitbarbeel. Het Aquarium 76(1): 30-3.

Kortmulder, K. 2016. Een aquariumvis van nature: de Kersrode Barbeel van Sri lanka (Puntius titteya Deraniyagala 1929). Het Aquarium 86(3): 62-7, April 2-16.

2. Incest avoidance in Humans and Animals:

Kortmulder, K. 1968. An ethological theory of the incest taboo and exogamy, with special reference to Cl. Lévi-Strauss’ views. Curr. Anthropol. 9: 437-49.

Kortmulder, K. 1974. On ethology and human behaviour. Acta Biotheor. 23: 55-78.

3. Tederheid (tenderness) in Animals and Humans:

Kortmulder, K. 1991. Tederheidsgedrag in zoölogisch perspectief. In: A.D.de Groot & J.P.Kruijt eds. Tederheid: over de gevolgen van tederheidstekort bij mens en dier. Amsterdam, SIGO.

Kortmulder, K. 1994. ‘Tederheid’ in zoological perspective. Social Biology and Human Affairs 59(1): 21-33.

Dubbeldam, J.L. & K.Kortmulder 2009. “Teder”behaviour (tenderness) - an exploratiom into the neural pathways of mild touch perception in mammals and birds. Animal Biology 59: 55-65.

4. The hedonic and agonic modes of social behaviouir:

Kortmulder, K. & Y.Robbers, 2005. The Agonic and Hedonic Styles of Social Behaviour. Lampeter, Queenston, Lewiston, The Edwin Mellen Press.

Kortmulder, K. 2012. On sustainable peace; a study in the theory of behavioural modes.  This blog.

5. Bird song:

Kortmulder, K. 2018. An analysis of the full song of five free-living urban European Blackbirds (Turdus merula); a network approach. http://doi.org/10.1101/505206v1 

6.Theories of behaviour.

Kortmulder, K. 1973. Evolutie van gedrag. In: G.P.Baerends ed. Ethologie, de Biologie van Gedrag. Wageningen, Pudoc. 136-57.

Kortmulder, K. 1974. On ethology and human behaviour. Acta Biotheor. 23: 55-78.

Kortmulder, K. 1983. Play-like behaviour; an essay in speculative ethology. Acta Biotheor. 32: 145-66.

Kortmulder, K. 1986. The congener: a neglected area in the study of behaviour. Acta Biotheor. 35: 39-67.

Kortmulder, K. 1987. Cross-bars and Protean displays: a question of fragmentation? In: P.Natarajan ed. Prof.Dr.N.B.Nair Felicitation Volume, Advances in Aquatic Biology and Fisheries 31-38.

Kortmulder, K. 1987. Some remarks on the significance of David Bohm’s views for biology. Acta Biotheor. 36: 275-80.

Kortmulder, K. 1991. Roles of symmetry breaking in behaviour. Discussion paper; limited circulation.

Kortmulder, K. & E. Feuth-de Bruijn 1993. On some generative orders of behaviour. Acta Biotheor. 41: 329-44.

Kortmulder, K., B.C.Goodwin & J.L.Dubbeldam 1993. Preface  In: J.L Dubbeldam, & B.C.Goodwin eds. Proceedings of the Symposium ‘Behaviour, Development and Evolution; in search of generative orders”. Acta Biotheor. 41(4): 273-4.

Kortmulder, K. 1994. Over de ‘vier vragen’ en de identiteit van de ethologie. NVG Mededelingenblad 3(1): 14-7.

Kortmulder, K. 1994. Towards a field theory of behaviour. Acta Biotheor.. 42: 281-93.

Kortmulder, K. 1998. Displacement behaviour; solving a silent contradiction. Acta Biotheor. 46(1): 53-63.

Kortmulder, K. 1998. Play and Evolution; second thoughts on the behaviour of animals. Utrecht, International Books. 

Kortmulder, K. 2024. Awakenings in triplicate: in ontogeny, after immobility, and to the presence of a congener. Comments on Ilan Golani’s concept of the mobiliti gradient, Front. Behav.Neurosci. 18: 1325481.  DOI: 10.3389/fnbeh.2024.1325481.

Kortmulder K. 2018. On tangentiality in the behaviour of animals and humans; an essay in instalments I-VII. This blog.

7. Book or article reviews:

1967. Parsons: The genetic analysis of behaviour. Book review. Genetica 38(3): 410-12.

1968. J. Hirsch: Behavior-genetic analusis. Book review. Genetica 39:158-60.

1969. Livingstone: Genetics, ecology and the origins of incest and exogamy. Invited comment. Curr. Anthropol. 10:53.

1975. W.H.van Dobben ed. Relaties tussen mens, dier en maatshappij. Book review. Acta Biotheor.24:171-2.

1981. Bixler: Incest avoidance as a function of environment and heredity. Invited comment. Curr.Anthropol. 22: 645.

1985. K.Wilber ed. Quantum questions; mystical writings of the world’s great physicists. Book treview. Acta Biotheor. 34: 91-2.

1990. Organism and mechanism, A sketch of the scientific work of Piet Sevenster. Neth.J.Zool. 40a: 561-4.

1993. With B.C.Goodwin and J.L.Dubbeldam. Preface to the proceedings of the symposium: ‘Behaviour, development and evolution; in search of generative orders’. Acta Biotheor..  41(4): 273-4.

1994. Mae-Wan Ho: The rainbow and the worm: the physics of organisms. Book review. Acta Biotheor..42(1): 86-7.

1997. McNeill: Keeping together in time. or the natural history of social cohesion.. A critical evaluation of W.H.McNeill’s new book. Acta Biotheor. 45: 87-91.

2001. Seymour W. Itzkoff (2000) The inevitable domination by Man; an evolutionary detective story. Book review. Acta Biotheor. 49: 73-4.

8. Varia:

Kortmulder, K. 1991. Over verklaringswijzen in de biologie. Discussiestuk; limited circulation.

Kortmulder, K. 1966. Dreigen en vechten van dieren en mensen. AO-reeks nr 1123: 1-14. Amsterdam, IVIO.

Kortmulder, K. 1966. Enkele notities over het gedrag van vissen. Biotechniek 5 (3/4) 33-7; 52-6..

Kortmulder, K. & Th.E.Spreij, 1987. The connectedness of all that is alive and the grounds of congenership; beyond a mechanicistic interpretation of life. Rivista di Biologia / Biology Forum 83(1): 107-27.

Kortmulder, K. 2001. Sermones Colloquii ab anno MCMLXXXVIII.. Leiden, Officina Vici Pacalis.

Kortmulder, K. 2005. Fruges Otii ab anno MM. Leiden, Officina Vici Pacalis.

Kortmulder, K. 2015. Reizen in Italië; “Wo die Zitronen Blühn”. Leiden, Officina Vici Pacalis.

Kortmulder, K.  2020. Mails for Madison; an adventurous project Leiden, Officina Vici Pacalis

Kortmulder, K. 2023.  Urbino.. Officina Vici Pacalis.

Kortmulder, K. 2021. Nature, Art and Values; an Essay in Three Parts. This blog. 2021.

9. Articles in The ASCAP Newsletter resp. ASCAP Bulletin (Across Species Comparisons and Psychiatry):

Kortmulder, K. 1996. The hedonic and agonic modes; a comparative perspective. The ASCAP Newsletter 9(1): 7-10.

---------------------. 2001. Some reminiscences of Michael R.A. Chance. The ASCAP Bulletin 2(1): 25-7.

---------------------   2003. Across species comparisons & tederheid. The ASCAP Bulletin 4(2): 8-9.


See further: this blog.